woordenlijst

bronnen en naslagwerken

top-BWV's, een lijstje

parodieën

chronologie












A

Alt - Lage vrouwenstem. De alt is in de Bach-cantate doorgaans de weifelende gelovige. Ze is niet zeker van haar zaak. Vaak is de alt een hij, het authentieke geluid vraagt om een countertenor dan wel een contra-tenor. Zie aldaar. Er is echter in Bach's tijd ook een andere bekende theologisch-musicologische theorie waarin aan de vier stemmen heel andere specifieke betekenissen worden gegeven. De alt geldt dan als de stem van de Heilige Geest, die zich op allerlei manieren in en aan mensen openbaart. Zie BWV 35.

Appoggiatura - Onder appoggiatura wordt in de Barok-muziek verstaan: een lange voorslag, klein genoteerd, die op de tel van de erop volgende hoofdnoot begint en van diens waarde wordt afgetrokken

Arabesk - Een arabesk in de muziek is een doorlopende en repeterende muzieklijn, die vooral in de muziek van het Midden-Oosten voorkomt. 

Aria - Stuk voor een zanger of zangeres, met begeleiding. 

Arioso - (Ital., = zangerig), in de muziek een tussenvorm tussen een recitatief en een aria. In vergelijking met een recitatief waarbij de muzikale begeleiding meestal alleen bestaat uit een basso continuo, is de begeleiding van een arioso uitbundiger en rijker. De nadruk van een arioso ligt in vergelijking met een aria meer op de tekst dan op de muziek.


B

Bas - Lage mannenstem. Als Jezus Christus in Bach-cantates voorkomt dan is het altijd de bas die deze rol krijgt toebedeeld. De z.g. Vox-Christie is altijd een bas. 

Basso continuo - (Ital., doorgaande bas) of becijferde bas. Een manier van het begeleiden die vooral in de barokmuziek veel gebruikt werd. De naam wordt soms ook gebruikt voor de instrumenten die de begeleiding spelen. Veel instrumenten kunnen de basso continuo spelen; welke het doen is vaak een kwestie van smaak of beschikbaarheid. De basis is de uitgeschreven bas, vaak uitgevoerd door de cello of viola da gamba. Daarnaast is er sprake van een versierend en improviserend akkoordinstrument, zoals klavecimbel, orgel (in de kerk) of luit (bij kleine bezettingen).


Blokfluit - Met name wanneer Bach meerdere blokfluiten gebruikt dan verbeeldt hij hiermee doorgaans een 'hemels koor'. In deze sommige cantates (b.v. BWV 25) laat hij twee instrumentale koren naast elkaar klinken, een aards (violen met hobo’s) en een hemels (in BWV 25 maar liefst drie blokfluiten). 

Bourree - Een Franse traditionele dans. Het woord bourree betekent vrij vertaald boertig. Vele bourree's hebben dan ook een nogal robuust en melodisch en ritmisch eenvoudig thema. De meeste bourrees worden in rijen van paren gedanst, en de muziek is meestal in een tweekwarts- of driekwartsmaat. 



Cantate - Letterlijk: zangstuk (Ital. van cantatere = zingen). Compositie op geestelijke of wereldlijke tekst voor een of meer solisten met of zonder koor. Bestaat uit meerdere onderdelen zoals recitatieven, aria's, duetten, koralen en koren. 

Cantilene - Melodie met een zangerig karakter. Onder cantilene verstaat men een gedragen melodie van eenvoudige structuur en goede zingbaarheid. 

Cantus firmus - De hoofdmelodie van het koraal. 

Colla parte - Compositie waarbij de instrumenten (strijkers, hobo's) geen zelfstandige partijen hebben maar slechts de vocale partijen meespelen. 

Concertino - Een concertino is een kleine groep solisten binnen een barok-orkest in een concerto grosso. Kenmerkend is de afwisseling tussen het grote orkest (het concerto grosso) en het kleine orkest (het concertino). Dit in tegenstelling tot het (solo) concerto, dat doorgaans voor één solist met orkest werd gecomponeerd.


Contrapunt - Tegenstem. 

Contratenor, countertenor - Een tenor die d.m.v. een speciale zangtechniek zijn stem weet 'op te voeren' tot de ligging van de vrouwelijke altstem. Omdat in de baroktijd vrouwen niet aan kerkelijke muziekuitvoeringen deel mogen nemen, worden de sopraan en altpartijen in cantates uitgevoerd door jongensstemmen en contratenoren. Nu men streeft naar zo authentiek mogelijke uitvoeringen van de muziek uit die periode wordt deze zangtechniek meer en meer toegepast. 

Corno da Caccia - Een kleine hoorn voor het spelen in het hoge register. Wordt ook wel Bachhoorn genoemd. Bach schreef een corno da caccia voor in zijn Hohe Messe en in het eerste Brandenburgs concert (twee hoorns). Ook Händel maakte gebruik van dit instrument. 

Da Capo - Een muziekterm afkomstig uit het Italiaans en het betekent vanaf het begin. Da Capo of afgekort D.C. wordt doorgaans boven de laatste maat geschreven. De speler wordt dan verondersteld alles vanaf het begin nog een keer te spelen. Een uitbreiding is vaak: da Capo al Fine: speel alles vanaf het begin tot aan het woord Fine. 

Diatonisch - Onder diatoniek wordt in de muziektheorie verstaan, muziek met hele en halve toonafstanden. Dit in tegenstelling tot de hele-toonstoonladder.
Een diatonische toonladder is een toonladder met hele en halve toonsafstanden. Dit diatonisch systeem is voor het eerst toegepast en theoretisch onderbouwd door de oude Grieken.
De oude diatonische toonladders zijn:
ionisch (C D E F G A B C)
dorisch (D E F G A B C D)
phrygisch (E F G A B C D E)
lydisch (F G A B C D E F)
mixolydisch (G A B C D E F G)
aeolisch (A B C D E F G A)
Locrisch (B C D E F G A B)
Uit deze oude diatonische toonladders ontwikkelde zich in de loop van de muziekgeschiedenis het diatonische systeem van majeur- en mineurtoonsoorten. Pas in de 20e eeuw lieten componisten zich inspireren door exotische, niet-Europese toonladders, en ontstond er een niet-diatonische klassieke muziek (Debussy, Stravinsky). 

Dichotomie - Een dichotomie is de opdeling in twee niet-overlappende structuren of begrippen. De term komt van het Griekse dichotomia, wat tweedeling betekent. De term wordt in uiteenlopende wetenschapsgebieden gebruikt, waaronder de filosofie, sociologie, politicologie, biologie en wiskunde. 

Elegie - Lyrisch stuk waarin de aangename herinnering aan hetgeen men vroeger bezat, afwisselt met treurigheid om het verlies ervan. 

Empfindsame stijl - Een muzikale stijlrichting rond 1750 ('empfindsam' = 'sentimenteel, overgevoelig') die sterk van door het gevoel ingegeven uitdrukkingselementen gebruik maakt. De stijl wordt voornamelijk vertegenwoordigd door de werken van componisten uit Noord- en Midden-Duitsland, waaronder bijvoorbeeld Carl Philipp Emanuel Bach. De stijl ontstaat rond 1750 vanuit het burgerlijk milieu dat zich bewust wordt van haar opkomende positie in vele lagen van de maatschappij, waaronder haar culturele en kunstzinnige.
Kenmerkend voor de stijl is dat er in kleine kring en kleine bezetting gemusiceerd wordt, dat het clavichord veel gebruikt wordt vanwege zijn intieme klank en dat de melodielijnen spiritueel, verfijnd, expressief, gevoelvol en beweeglijk worden gehanteerd. De empfindsame stijl ontwikkelt zich parallel aan en gedeeltelijk uit de galante stijl. Zowel de galante als de empfindsame stijl zijn beide uitdrukking van de muzikale rococo-periode. Tezamen met de 'Sturm und Drang' vormen deze stijlen de voorbodes van de classicistische muziek, die later als 'Eerste Weense School' bekend zal worden. 

Geistliches Konzert - Aanduiding voor een groot deel van de korte geestelijke muziekstukken uit de 17e eeuw. Meer uitgekristaliseerde vormen zoals de cantate bevinden zich in deze tijd nog in de ontstaansfase. De stilistische wortels van het Geistliches Konzert liggen enerzijds in de monodie, anderzijds in de traditioneel uitgevoerde motetten. Tot de componisten van dit soort werken behoren Heinrich Schütz, Samuel Scheidt en Dietrich Buxtehude.


Gigue - De gigue is een zeer snelle dans, waarvan het ritme een veelvoud is van drie. De dans, die afkomstig is uit Schotland en Ierland, werd door verscheidene klassieke componisten gebruikt in hun composities. De gigue, die verwant is aan de Engelse dans Jig, was reeds omstreeks 1600 in Engeland bekend. In de tweede helft van de zeventiende eeuw werd deze dans ook bekend op het Europees continent. Een gigue komt vaak voor als slotdeel van een suite, waarin naast de gigue, ook andere dansen voorkomen zoals de allemande, de sarabande, de courante en de gavotte.

 

Hemiool - In de muziek is een hemiool of hemiola (Grieks: hèmiolos = anderhalf, samengesteld uit hèmi = half, holos = heel) een ritmische accentverschuiving die bijvoorbeeld ontstaat wanneer in een driedelig metrum een tweedeling wordt ingebracht, door vervroeging van de klemtoon van de eerste naar de voorafgaande derde tel en het plaatsen van een nieuw accent op de volgende tweede tel. [1] Het gevolg is dat twee drietelsmaten geteld worden als drie tweetelsmaten, zonder overigens dat dit blijkt uit de genoteerde maatstrepen of maataanduiding. De hemiool is een antimetrische figuur. Ook andere antimetrische figuren worden wel hemiool genoemd, zoals het tellen van drie tweetelsmaten als twee drietels of twee driekwartsmaten als een drietweedemaat. 


Telt men bijvoorbeeld een drietelsmaat 

hoem-pa-pa | hoem-pa-pa | hoem-pa-pa | hoem-pa-pa | hoem-pa-pa | 

als 

hoem-pa-pa | hoem-pa-pa | hoem-pa-hoem |pa-hoem-pa | hoem-pa-pa | 

dan vormen de derde en vierde maat een hemiool. 

Interludium - of interlude (uit het Latijn: inter=tussen en ludere=spelen) is een instrumentaal tussenspel. Het woord wordt zowel in kerkmuziek als opera en operette gebruikt als in liederen. Soms komt een interludium als zelfstandige compositie voor, bijvoorbeeld als tussendeel van een cyclisch werk of suite. 

Juxtapositie - Juxta, iuxta (Latijn). De juxtapositie is vooral bekend in de muziek en in de schilderkunst, bedoeld als contrast maar, hoewel minder voorkomend, zijn juxtaposities soms ook bedoeld om een over eenkomst aan te geven. Door twee dingen naast elkaar te plaatsen kun je verschillen en overeenkomsten duidelijker zien. Je kunt er echter ook verbanden door laten zien of suggereren. 
Een bekende toepassing, bedoeld om een overeenkomst aan te geven is een gezond ogend opgewekt mens te laten zien op een afbeelding in combinatie met (naast) een product met de bedoeling door die combinatie meer van dat product te verkopen (reclame).
Hoewel je zou kunnen zeggen dat je als klant, winkelend in een supermarkt twee artikelen in juxtapositie brengt door ze naast elkaar te houden om zo beter te kunnen kiezen, lijkt het woord toch meer gereserveerd voor serieuzere zaken. Zo heeft Mondriaan veel tijd en aandacht besteed aan juxtaposities in zijn schilderijen. In films worden shots bij elkaar gekozen en getoond om de invloed van die shots op elkaar. In de literatuur worden soms woorden of delen van een verhaal om dezelfde reden naast elkaar geplaatst. 

Koraal - Het koraal (choral) is plaatsvervangend voor alle gelovigen. Het gebruik van het koraal (in feite een voor de gemeente overbekende samenzang) heeft bij Bach de functie dat het op dat moment de gevoelens van de toehoorders vertolkt, ja we kunnen zelfs zeggen dat het publiek even deelgenoot wordt in het geheel. Heel duidelijk wordt dat in de Matthaus Passion waarbij elke gebeurtenis in het verhaal door de toehoorders meebeleefd wordt bij het horen van een bekend koraal. 
'Her bin ich's' vragen de leerlingen van Jezus. Wie heeft er schuld aan Zijn verraad, dat is hier de vraag.
'Ich bin's, ich sollte büssen. An Händen und an Füssen' zo klinkt dan het koraal en daarmee wordt de gemeente, daarmee worden wij, medeschuldig aan het verraad van Jezus. 

Koraalvariaties - Als de cantate uit louter koraalvariaties bestaat dan wil dit zeggen dat de koraalmelodie in alle onderdelen verschijnt, soms gewijzigd, soms in onveranderde gedaante. Er komen dan geen thema's in voor die het koraal 'vreemd' zijn, slechts begeleidende instrumentale figuren die een beweeglijkheid aan het geheel verlenen. 

L

Lamento (Ital., klacht, klaaglied), benaming voor een doorgaans vocaal muziekstuk van klagend karakter, vooral gebruikt in de opera tijdens de barok, vlak voor het keerpunt in de handeling. Het oudst bekende voorbeeld is het Lamento d'Arianna uit de opera Arianna (1608) van Claudio Monteverdi (zes jaar later tot madrigaal omgewerkt). Beroemd is het lamento uit de opera Dido and Aeneas van Henry Purcell (When I am laid in earth), dat gebouwd is op een basso ostinato (ground), een chromatisch dalende reeks in de omvang van een kwart. 

Litanie - Een litanie is een biddend verzoek om hulp of bijstand aan een lange lijst van heiligen of bij een reeks van ziekten of beproevingen die veelal in processie door een voorzanger (hier: de sopraan) worden aangeroepen en door gelovigen (hier: het vierstemmig koor) worden bevestigd of afgesmeekt met een telkens terugkerende formule als ontferm u over ons, verhoor ons of bid voor ons. Ook Luther handhaafde een litanie in zijn liturgische vernieuwingen. 

Melismen - melismatiek is in de muziek het zingen van meer noten op een lettergreep (een zogenaamde notentros). Zo'n lettergreep noemt men een melisme.

Melismes komt men vooral tegen in het Gregoriaans, het Italiaanse belcanto, in Turkse en Arabische muziek en bij soulzangeressen in de traditie van Whitney Houston.

Een voorbeeld van melismatiek is ook het Wilhelmus in de bewerking van Adriaen Valerius. Hij voorzag de oorspronkelijk Franse melodie van buigingen als: ‘Wilhelmus va-han Na-hassouwe ben ick van Dui-huitschen bloet’.

Motet - muzikaal-literair genre, in de middeleeuwen een meestal geestelijk gezang waarin de verschillende stemmen verschillende teksten zingen, vaak in verschillende talen. De onderstem is in de regel een fragment uit een liturgisch gezang. Sinds de renaissance is het motet een vrijwel steeds meerstemmig geestelijk gezang a cappella, aanvankelijk nog in het Latijn, later in de volkstaal. Naast Bach behoren ook Reger, Brahms en Distler tot de componisten van motetten. 

Neumeister - De orthodoxe theoloog Erdmann Neumeister wordt bekend als tekstschrijver van cantates, bedoeld voor cantates van Telemann maar ook Bach maakt hier gebruik van (o.a. BWV 18). Neumeister bepleit aanvankelijk om de traditionele op bijbelteksten en kerkliederen gebaseerde ‘Kirchen-music’ te vervangen door naar de Italiaanse opera gemodelleerde ‘Geistliche Cantaten’, bestaande uit aria's en recitatieven op vrij gedichte, poëtische meditaties over bijbelteksten. Lehms door Bach getoonzette ‘Vergnügte Ruh, beliebte Seelenlust’ is daarvan een voorbeeld. Later verzoent Neumeister zich met de ‘gemengde cantate’ die alle teksttypen gebruikt en ons door Bachs werk vertrouwd is geworden. 

 

Nunc dimitis - Het Nunc dimittis (lett. nu laat heengaan), ofwel de Lofzang van Simeon, is een hymne die Simeon heeft uitgesproken toen hij Jezus en zijn ouders in de tempel ontmoette. De tekst staat in het evangelie van Lucas 2,29-32. Simeon had van de Heilige Geest de belofte gekregen, dat hij niet zou sterven, voordat hij de messias had gezien. Op dit moment gaat de belofte in vervulling.


Oboe d'amore - De oboe d'amore, ook wel liefdeshobo genoemd, is een muziekinstrument, dat tot de houtblazers wordt gerekend. De oboe d'amore is een dubbelriet aangeblazen instrument, dat erg lijkt op de hobo. Maar in vergelijking met de hobo is de oboe d'amore iets groter en heeft het een iets rustiger en serene klank. De oboe d'amore wordt wel de alt of mezzo-sopraan onder de hobo's genoemd en klinkt een kleine terts (anderhalve toon) lager dan de hobo en een grote terts (twee hele tonen) hoger dan de althobo. Het is een transponerend instrument, wat betekent dat de oboe d'amore ook een kleine terts lager klinkt dan zij genoteerd wordt.

De oboe d'amore wordt in de 18e eeuw uitgevonden en voor het eerst gebruikt door Christoph Graupner in 'Wie wunderbar ist Gottes Güt'. Johann Sebastian Bach schrijft regelmatig muziekstukken waarin de oboe d'amore gebruikt wordt, waaronder een concert, veel van zijn cantates en het "In Spiritum Sanctum" uit de Hohe Messe. Bachs tijdgenoot Georg Philipp Telemann gebruikt de oboe d'amore ook zo nu en dan.

In de tweede helft van de 18e eeuw verliest de oboe d'amore zijn populariteit. Pas aan het einde van de 19e eeuw wordt het instrument herontdekt en gebruikt door componisten als Richard Strauss, Claude Debussy, Maurice Ravel en Frederick Delius. Het bekendste moderne muziekstuk waarin de oboe d'amore gebruikt wordt is de Bolero van Ravel.


Obligaat (Ital.,: obligato) - Een instrumentale stem in een muziekstuk die essentieel tot de compositie behoort, dus niet weggelaten kan worden zonder dat men daardoor afbreuk doet aan het karakter van de compositie, bijv. aria's van Bach met obligaat viool, fluit of hobo. Het tegenovergestelde van obligaat is ad libitum. 

Ostinato - een kort muzikaal motief dat telkens wordt herhaald. Een basso ostinato is een bas-melodie in een compositie, die de hele tijd een en dezelfde melodie herhaalt. De term is afkomstig uit het Italiaans en betekent: koppig (Nederlands: obstinaat).

P


Parodie - De term "parodie" is van Griekse oorsprong, waarin het een samenstelling is van para- ('naast') en oide ('lied'). Oorspronkelijk had de term "parodie" een volledig neutrale betekenis van 'imitatie' ('een lied naast een lied'), zonder dat er van satire sprake was. Tot en met de achttiende eeuw was het heel gebruikelijk om bijvoorbeeld muziek te hergebruiken. Een belangrijke reden hiervoor was dat muziekstukken op die manier bij meer gelegenheden ten gehore konden worden gebracht. Een componist als Johann Sebastian Bach maakte vele parodieën van eigen werk (zelfparodie). Hij verwerkte bijvoorbeeld een deel van een hoboconcert in een koor van een cantate of hij voorzag een aria uit een cantate van een nieuwe tekst voor een andere cantate of voor een van zijn passiemuzieken. Ook van het werk van anderen, zoals Antonio Vivaldi en de broers Alessandro en Benedetto Marcello, maakte hij parodieën, volgens de principes van "translatio, imitatio en aemulatio", waarbij de parodie de fase van de "translatio (vertaling)" vertegenwoordigt. Hij en zijn tijdgenoten maakten parodieën dus zeker niet om het publiek te laten lachen om het origineel, maar integendeel uit bewondering, om ervan te leren of om de werken uit te kunnen voeren met andere muziekinstrumenten dan de oorspronkelijke.

Passepied -  Oudfranse rondedans in snelle driekwartsmaat.

Per-omnes-versus - In de 'per-omnes-versus'-koraalcantate worden alle strofen van het koraal in de verschillende delen verwerkt. Voorbeelden van 'per-omnes-versus'-koraalcantates zijn ‘Christ lag in Todesbanden en ’Ich ruf zu dir, Herr Jesu Christ’.


Phrygisch - De oude, voor-reformatorische kerktoonsoort die Luther pleegt te gebruiken voor klaag- en boeteliederen. Een toonsoort die, zonder mollen of kruizen, alleen de witte toetsen op de piano gebruikt maar begint en eindigt op de E. 


Picander - Pseudoniem van Christian Friedrich Henrici, de rijmende postbeambte die wij vooral kennen als tekstdichter van de Matthaus Passion e n het Weihnachtsoratorium. Hij maakt kennis met Bach in de periode dat diens interesse voor het schrijven van cantates al begint te verflauwen. BWV 159 uit 1729 is een van de weinige cantates van zijn hand. Zowel de dialoogvorm als de daarin geuitte vragen (Wohin? Hinauf?) en protesten (Gehe nicht!) van de alt herinneren (ondanks het kamermuzikale formaat) aan de dubbelkorige Matthaus Passion met al zijn vragen (Wen? Wie ? Was? Wohin?) en machteloze protesten (Bindet nicht! Haltet ein!) van de gelovigen in het tweede koor. 

Polyfonie - Onder polyfonie (Grieks voor  stem, klank, geluid) verstaat men in de muziek: gecomponeerde meerstemmigheid, dat wil zeggen, meerdere melodieën tegelijkertijd, al dan niet in verschillende stemregisters, soms zelfs  complex bezet. Het basisprincipe daarbij is dat alle stemmen gelijkwaardig zijn, of althans een volwaardige rol hebben. Voorbeelden van polyfone compositietechniek en zijn de canon en de fuga.

Posaunenchor - Een blazerskwartet bestaande uit een zink en drie trombones. Komt voor in de jachtcantate en de parodie daarvan BWV 68.

Pizzicato - De Italiaanse muziekterm pizzicato betekent voor strijkers dat in plaats van met de strijkstok te werken de snaren met de vingertop van een van de vingers, meestal van de rechterhand, getokkeld worden. De strijkstok wordt daarbij meestal in de hand gehouden. Met name voor de contrabas wordt veel pizzicato gebruikt. Aan Monteverdi wordt de introductie van pizzicato voor de viool toegeschreven. De contrabas bij pop- of jazzmuziek wordt vrijwel altijd pizzicato gespeeld. 

Quodlibet - Men gebruikt de uitdrukking quodlibet na de middeleeuwen als term voor potpourri's, medley's en andere vormen van muzikale improvisatie. Een mooi voorbeeld van wat een Nederlands quodlibet uit de Renaissance kan zijn, is het anonieme lied 'Myn morken gaf my een jonckwijff', uit het liedboek van Hieronymus Lauweryn van Watervliet (ca. 1505), dat een aantal beginverzen van Nederlandse liederen bevat.


R

Recitatief - Spraakgezang, de manier van 'sprekend zingen' waabij de tekst het belangrijkste is en de muziek daaraan ondergeschikt is gemaakt. Als een recitatief alleen met ondersteunende akkoorden wordt begeleid, b.v. op het klavecimbel, dan heet het 'recitativo secco' (droog). Wordt het begeleid door meerdere instrumenten en op een meer melodische manier dan heet het 'recitativo accompagnato'. Maar wat is de oorsprong van die bijzondere manier van componeren met recitatieven? In het Italie van de zestiende eeuw zijn er hoogdravende intelectuele discussies over de kern van het griekse theater. Een florentijnse leermeester ontdekt dat alle teksten van de griekse tragedie worden gezongen, niet voorgedragen. Die zang is natuurlijk nog niet meerstemmig maar eenstemmig zoals het Gregoriaans. In die groep intelectuelen, bekend geworden als de Camerata dei Bardi, heeft de vader van de beroemde sterrenkundige Galilei het hoogste woord. Hij bepaalt dat poëzie te ingewikkeld is voor meerstemmigheid. Zo worden de eerste oratoria en opera’s behoorlijk mono en ze klinken ons tamelijk saai in de oren. De componisten Caccini en cavalieri bijvoorbeeld voelen zich behoorlijk beperkt door het dogma van Galilei. En dan komt daar Monteverdi. Hoogstwaarschijnlijk schrijft hij met zijn Orfeo uit 1607 het eerste werk wat we nu met opera aanduiden.Hij bedenkt een eenvoudige oplossing voor het ongemakkelijke huwelijk tussen tekst en muziek. Hij kiest ervoor de vertelling onder te brengen in het zogenaamde recitatief en beschouwingen en commentaar te verwerken in prachtige muzikale vormen die de deur openen voor de onwikkeling van de opera en het oratorium. De vraag is of Bach de vorm van zijn Matthäus Passion maar ook die van zijn cantates gevonden zou hebben zonder Monteverdi. 

Rifkin - Joshua Rifkin is in de klassieke muziek wereld bekend geworden door zijn stelling dat veel van Johann Sebastian Bach 's vocale muziek, met inbegrip van de Matthäus Passion, moet worden uitgevoerd met slechts één zanger per partij, een idee wat algemeen verworpen wordt door zijn collega's wanneer hij dit voor het eerst presenteert in 1981. Meer hierover in dit artikel.

Ripieno - Muzikale voordrachtsaanwijzing. Met ripieno beschrijft men in de 17e/18e eeuw het volle orkest en alle meervoudig bezette tuttiplaatsen. In het concerto grosso staat het ripieno tegenover het solistische concertino. 

Ritornello - (Italiaans; in het Frans: ritournelle of Duits: Ritornell) in de muziek een terugkerend  instrumentaal thema of refrein of een terugkerende instrumentale themagroep. De oorsprong ligt in de Italiaanse muziek. Met name in de barokmuziek van de 17e en 18e eeuw komt een dergelijk ritornello dikwijls voor als omlijsting van grotere vocale werken. Ook wordt het ritornello als voor-, tussen- of naspel gebruikt. Bach doet dit veelvuldig als methode om koraalzinnen motivisch bij elkaar te houden. 

 

S

Siciliano - Siciliaanse landelijke dans in een matige beweging en 6/8 maat. Alla Siciliana [It.] is een muzikale voordrachtsaanwijzing. Alla siciliana betekent: op de wijze van een siciliano. 


Sinfonia - Een instrumentaal muziekstuk. Het woord is afkomstig uit het Italiaans en is in de meeste talen gelijk aan het woord voor symfonie. Een sinfonia is oorspronkelijk (vroeg-Barok periode) een kort muziekstuk dat gespeeld word direct voorafgaand aan een opera of aan kerkmuziek. De bedoeling is het publiek tot stilte te manen en tegelijkertijd voor te bereiden op het vocale werk dat volgt. De eerste sinfonia is - voor zover men weet - afkomstig uit de opera Orfeo gecomponeerd door Monteverdi in 1607. Later wordt de sinfonia langer en complexer. Uiteindelijk evolueert de sinfonia tot een zelfstandig muziekstuk bestaande uit meerdere delen. 

Soloviool - Verbeeld in Bach cantates de figuur van Christus. 

Sopraan - Hoge vrouwenstem. De sopraan vertegenwoordigt in de Bach-cantate doorgaans de ideale gelovige. De sopraan weet het, zij toont geen twijfels. Zie ook bij alt. 

Stretto - In een fuga is een stretto een gedeelte waar de diverse stemmen (de dux en/of comes) het hoofdthema versneld achter elkaar inzetten, alvorens dit thema in een stem volledig is geëxposeerd, waardoor de structuur gedrongener wordt. Dit type stretto geeft spanning, en vindt dikwijls plaats tegen het einde van de fuga alvorens de slotgroep met inzetten plaatsvindt, of juist als onderdeel van die slotgroep. Zeer vele fuga's van Johann Sebastian Bach bevatten stretti.

Subdominant - Een subdominantakkoord of kortweg subdominant is een akkoord dat verwant is aan het akkoord waarvan de grondtoon een kwint lager ligt dan dat van de tonica. Met de subdominant, wordt dat akkoord aangeduid, dat op de 4e toon van de toonladder is gebouwd. (in C groot: F A C, kortweg IV) In de loop van de geschiedenis, is het aantal subdominante akkoorden flink toegenomen. Er bestaat maar 1 tonica (op de 1e trap, aangeduid met I), op 2 manieren: majeur of mineur; er bestaan een aantal dominanten (op de 5e of de 7e trap, respectievelijk aangeduid met V en VII); maar het aantal subdominanten overtreft de beide andere functies verre. De functie van de subdominant is een punt van (relatieve) 'ontspanning' in de muziek te vormen. Is de tonica het oerbeeld van de grondtoon (het 'thuiskomen' van de muziek op een rustpunt), de dominant het oerbeeld van spanning, die in de lucht hangt (een gevoel van 'er staat iets onvermijdelijks te gebeuren'), zo is een subdominant een tegendeel van dit alles: een punt van ontspanning, bevreemding, verwondering. Functioneel harmonisch gezien (in de bijvoorbeeld de authentieke cadens) stuwt de subdominant naar de dominant.

T

Teksten -  Wat Bach gebruikt voor zijn cantates, het zijn vaak, ik citeer nu even  ‘als smakeloos beschouwde bar en boze kerkteksten.’ Lees meer hierover bij de toelichting van BWV 176.

Tombeau - muzikaal genre ter ere van een overledene 

Tremolo (Italiaans voor trillend) - een manier van toonvorming die vooral op snaarinstrumenten wordt toegepast, door de snaar voortdurend snel achter elkaar aan te slaan of aan te strijken. Dit levert vaak een 'spannende' klank op.

Trinitatis - Hoogfeest van de Heilige Drieëenheid (1e zondag na pinksteren). Drievuldigheid, Drie-eenheid of Triniteit (Latijn Trinitas), term ter aanduiding van het christelijk dogma dat God één is in zijn openbaring als de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Aan deze kerkelijke hoogtijdag zijn gewijd de cantates BWV 129, 165, 176 en 194. En op dit feest volgt in het kerkelijk jaar de 1e zondag na Trinitatis, de 2e enz. enz. Tot aan de advent en dan begint het kerkelijk jaar weer van voor af aan.

Troop - Een troop (of ook trope) is een term uit de middeleeuwse muziek. Het betreft een gezang dat muzikaal op een oud (Gregoriaans) gezang is gebaseerd, maar een andere tekst heeft gekregen. Dit meestal om de zingbaarheid voor het volk te verbeteren: lange melismen op één lettergreep zijn moeilijker te onthouden dan een syllabische tekst.

Tutti - De gehele, 'volle' groep van instrumenten in tegenstelling tot de groep solospelers (concertino). 

V

Violoncello piccolo - een vijfsnarige cello, meestal ook met een kortere mensuur dan de ´standaard´ moderne cello. Aan de snaren C G D A wordt een e-snaar toegevoegd zodat tegelijkertijd een groter toonbereik ontstaat en een instrument met een eigen klankkleur. Het instrument wordt alleen voorgeschreven in laat barok repertoire en raakt daarna in vergetelheid. Johann Sebastian Bach schrijft de violoncello piccolo voor als obligate partij in een aantal cantates. In Anna Magdalena´s handschrift van J.S. Bachs 6 Suites a violoncello solo staat bij de 6e suite geschreven: a cinque cordes en genoteerd CGDAe. In deze zesde suite wordt naast de bassleutel ook veelvuldig de tenorsleutel gebruikt. Moderne cellisten op moderne cello´s moeten zich in hogere posities behelpen met duimposities op de A-snaar. Het veelvuldig voorkomen van gearpeggieerde akkoorden met een wijde ligging behoort ook tot de specifieke mogelijkheden van de violoncello piccolo. Heden ten dage worden er nagenoeg geen violoncello piccolo's meer gebouwd. 

W

Weinen/Wein - Vaker zien we in de cantates dat er een tegenstelling gecreëerd wordt tussen aanvankelijke tranen (steeds weer bijgevuld) en de Wijn der Vreugde (die opraakt). Deze metafoor (gevat in de woorden Weinen/Wein) dient om aan te tonen dat beproeving onvermijdelijk is als het geloof moet groeien. 

Z

Ziegler, Christiane Mariane von - Dichteres, tekstschrijfster van negen cantates waarmee Bach in april en mei 1725 - de periode na Pasen - zijn tweede cantatejaargang voltooit. Van Christiane Mariane von Ziegler is bekend dat ze niet alleen bijzonder erudiet was, maar ook dat ze diverse muziekinstrumenten bespeelde en overweg kon met een kruisboog. Zie bij BWV 68.