voor de vijftiende zondag na Trintatis

bwv 138 warum betrübst du dich, mein Herz

bwv 51 jauchzet Gott in allen Landen

 

 

 

Dit is chronologisch gezien de eerste van een drietal cantates met deze titel, geschreven in 1724, 1726 en 1734. Een koraalcantate van het model dat Bach veertig cantates lang voor ogen staat; een ongewijzigde koraaltekst voor het openingskoor en slotkoraal, vrije herdichtingen van de vier tussenliggende strofen voor de aria's en recitatieven. De sentimenten uit dit koraal zijn blijkbaar multi inzetbaar want het wordt door Bach gebruikt bij zeer verschillende Evangelieën, dit keer is het gekoppeld aan de wat wij zijn gaan noemen ’de bergrede’. De tekst van het koraal wordt in deze cantate 3 x geciteerd (alleen de tekst, niet de melodie dit keer) en de onbekende auteur voegt er in de beide aria’s ook een nieuw aspect aan toe; dat van het kruis, een referentie aan het lijden van Jezus. 

Deze cantate is er opnieuw één met zo’n extreem veeleisende solopartij voor de fluit, maar liefst in drie delen komt die voor. Het openingskoor wordt op deze manier een Concerto Grosso-achtig stuk met naast de fluit ook een oboe d’amore, strijkers en basso continuo. Het komt bij Bach wel meer voor dat in het openingskoor de koorpartij zich nogal onafhankelijk van het orkest toont, instrumentalisten en koor delen maar weinig muzikale motieven met elkaar. In BWV 99 is dat effect maximaal, koor en orkest lijken volledig hun eigen weg te gaan. Na een voorpel van strijkers zou men de inzet van het koor verwachten maar neen, er volgt dan een optreden van de twee houtblazers. Is het dan toch een Concerto Grosso geworden in plaats van de gebruikelijke kerkcantate? Maar nauwelijks hebben de instrumentalisten zich gepresenteerd of daar verschijnt dan toch plotseling het koraal, ingezet door de sopranen. Maar dit keer is het niet, zoals gebruikelijk, zo’n weelderige fantasie zoals wij die van Bach gewend zijn. Strak in het gelid zingt het koor, als betrof het hier reeds de slotzang die door de gemeente mag worden meegezongen. Wat een groot contrast met wat daar inmiddels in die orkestpartij gebeurt. Het lijkt wel of het koor bijna terloops wat door het instrumentale concert heen mag zingen. Maar kan het ook bedoeld zijn als een hogere symboliek? Dat dermate onverstoorbaar zingen van dit koraal, die treffende geloofszekerheid daar temidden van dat steeds maar voortgaande concert. Jawel, wat God doet, het is welgedaan, wat er ook gebeurt. 

In de tenor-aria - de sfeer is inmiddels drastisch gewijzigd - illustreert Bach de bittere drinkbeker van de kruisdood vrijwel voortdurend in die chromatisch dalende lijnen van de solofluit, terwijl er tegelijkertijd ook een ander motief rondwaart dat nu juist lof aan de Heer lijkt te brengen in een poging om onze ‘moedeloze ziel’ te redden. Donkere chromatische passages en snijdende vocalen horen we bij de woorden tödlich Gift terwijl bij Süssigkeit juist milde, ongekompliceerde harmoniën klinken.

Ook in de tweede aria (5) gaat het over ‘des Kreuzes Bitterkeiten’ en ‘des Fleisches Schwachkeit’. Maar hier is de chromatiek veel meer latent aanwezig. We horen een instrumentaal motief van vier neergaande noten wat door de zangers wordt overgenomen. De stemmen van het instrumentale (hobo/fluit) en van het vocale duet (sopraan/alt) kruisen elkaar vrijwel voortdurend. Vele herhalingen van steeds maar dezelfde tonen verbeelden de zwakheid van het vlees, de aarzeling van het onwillige lichaam dat zich niet wil onderwerpen. De muzikale strijd eindigt met een triomfaal ‘wohlgetan’.

De cantate eindigt als gewoonlijk met een vierstemmige harmonisering van het populaire koraal ‘Wass Gott tut dass ist wohlgetann’. Opvallend is die extatische agitatie van de tenorstemmen bij het woord ‘wohlgetan’ maar we horen ook eenvoudige harmonieën die een geruststellende zekerheid geven aan de woorden ‘ganz väterlich

 

En welke uitvoering moeten we hebben? De opening van deze cantate is vooral bij Rilling heel mooi; met die fluit gaat de hemel open. Wat een heerlijk tempo, wat een prachtige klanken, alles valt hier op z'n plek. Walton zal vele eeuwen later deze muziek gebruiken voor zijn ballet, de Wise Virgin Suite. De Harnoncourt-versie is veel langzamer dan die van Rilling. Suzuki biedt opnieuw gestileerde schoonheid en een prachtige tenor. Gardiner voegt deze keer niet zoveel toe.


Bron; Andreas Bomba

 

 








>> naar de volgende cantate BWV 8 >> cantates de cantates de cantates de canta