
eveneens voor de eenentwintigste zondag na Trinitatis
bwv 109 ich glaube, lieber Herr
bwv 38 aus tiefer Not schrei ich zu dir
bwv 188 ich habe meine Zuversicht
Cantata 98
• Twenty-first Sunday after Trinity
• Epistle: Ephesians vi. 10-17 (Put on the armour of God)
• Gospel: John iv. 46-54 (The nobleman's son healed)
• Rating: 3+
This is a short chorale cantata (around fifteen minutes long) with a simple structure (chorus, recitative, aria, recitative, aria, missing concluding chorale). The opening chorus is a very straightforward elaboration of the chorale melody, with few of the orchestral parts having much independent interest. The soprano aria, despite some help from the solo oboe, is uninteresting and the final bass aria would be too, if it were not for the violin accompaniment which supplies the only interesting musical feature of the cantata. There are two other cantatas that share this title (BWV 99 and BWV 100) both of them far better than this work.
Copyright © 1996 & 1998, Simon Crouch (ClassicalNet).
Nou ja Simon... is het nu echt zo erg en valt er niet wat meer over Cantata 98 te zeggen? Laat ik dan een genuanceerd stukje schrijven, dit keer geïnspireerd door Gardiner, Whittaker, Ruth Tatlow. Ik hoop op wat enthousiasme.
Bach componeert drie cantates met de titel (en dus op basis van het koraal) ‘Was Gott tut, das ist wohlgetan’ die later de BWV-nummers 98 - 99 - 100 zullen krijgen en de achtervoegsels I - II - III. Zo’n 50 jaar geleden wordt aangetoond dat ze respectievelijk gecomponeerd zijn in 1726, 1724 en 1734. Cantate 98 is chronologisch gezien de tweede van de drie Bach cantates geschreven op deze tekst. De anonieme auteur verbindt het koraal uit de opening met twee vrij geschreven recitatieven en twee aria's, parafrases op het evangelie voor de betreffende zondag. Het gaat in dat evangelie over Jezus’ tweede wonder; de genezing van de zoon van de centurion. De evangelietekst houdt ons voor;
God helpt hen die in nood zijn als zij in hem geloven.
John Eliot Gardiner brengt wel enig enthousiasme op over het openingskoor. Dit lijkt - zegt hij - een koraalcantate te worden, maar dan wel met weglating van alle concertante uitwisselingen zoals we die we kennen uit de tweede jaarcyclus. Het is simpel. Terwijl ons wordt gevraagd te vertrouwen op God valt het spotlicht muzikaal gezien veel meer op die - heel eenvoudige - inbreng van de eerste violen. Hun melodische materiaal verleent het geheel een woordloos commentaar; een treffende manier om onze aarzelingen weer te geven als het er om gaat om te vertrouwen op God. Het eigenlijke koraal horen we pas in de slotzin als het in zijn geheel wordt tentoongespreid.
Whittaker geeft een opsomming van het overige materiaal van deze cantate (twee aria’s en twee recitatieven) en hij doet dit niet zozeer met enthousiasme maar eerder met de hem typerende beknoptheid. Eerst noemt hij hoe de tenor redding bepleit uit de misere (‘Wie lange soll ich Tag und Nacht um Hilfe schreien’) waarna de sopraan vervolgens in treurende noten zingt over geduld hebben, geduld hebben in het lijden. Zeggende dat God de Vader leeft brengt de alt een boodschap van troost (‘Gott hat ein Herz, das des Erbarmens Uberfluss’) en de bas verklaart uiteindelijk dat hij Jezus nooit zal verlaten (‘Meinem Jesu lass ich nicht’).
Gardiner noemt het verrassend dat bij het ontbreken van een slotkoraal hier een aria van de bas klinkt met een vrolijk Handeliaanse unisono obligatopartij van de violen. En er wordt hier een hint gegeven naar het ontbreken van dat slotkoraal door in een licht geornamenteerde vorm de eerste regel van de tekst van de koraalmelodie te laten klinken 'Meinem Jesu lass ich nicht'. De stem van het individu en de stem van de gemeente zijn hier in vereniging tezamen.
Ruth Tatlow (ik blijf enthousiasme zoeken) zegt op drie plaatsen overeenkomsten te zien met delen uit de Matthäus Passion. Zij acht het waarschijnlijk dat als Bach BWV 98 schrijft hij tegelijkertijd ook werkt aan de Matthäus.
Enthousiasme over deze cantate? Niet echt. Eerder had ik zelf genoteerd dat e.e.a. in de verte doet denken aan 'A wither shade of pale', althans dat is bij het openingskoor het geval. Heerlijke strijkers, breed uitgesponnen vooral bij Gardiner (2 x neemt hij het op, zoek de verschillen). Het is zo'n openingskoor waarbij je denkt dat het niet meer stuk kan. Toch zeg ik bij het beluisteren van Rilling dat de rest wat teleurstellend is, bij Harnoncourt vind ik de aria's alleen maar 'aardig'.
nu dan volgt cantate 55 de cantates de cantates de cantates de cantates cantates