Monogram Johann Sebastian Bach








In zijn boek zegt Dürr dat de tenor-aria met z'n vioolsolo representatief is voor de stijl van de vrijwel in z'n geheel weggeraakte laatste jaargang kerkcantates. Als dit zo is, zegt Maarten, dan is dat een gedachte om doodongelukkig van te worden. 


'Deze ongelofelijke tenor-aria bleef Goddank bewaard. Het is bijna een vioolconcert'. 


Een late cantate is dit, uit 1734, en er is niets bekend over haar liturgische achtergrond. Er is een theorie die zegt dat het, net als de drie andere late koraalcantates BWV 100, 117 en 192, oorspronkelijk een bruiloftscantate geweest is. De melodie van de hymne ‘Insbruck, ich muss dich lassen’ is alleen hoorbaar in de opening en in het slot. Bach neemt ook hier weer alle negen strofe’s ongewijzigd over. Opvallend is dat dit resulteert in slechts twee recitatieven tegen wel vier aria's en een duet. Blijkbaar vindt Bach de tekst van de hymne minder geschikt om ze in recitatieven om te zetten. Het weinig intellectuele karakter en de armoede aan beeldende kracht van deze teksten stelt hem voor verschillende problemen. Ze worden opgelost met een buitengewone compositorische extravagantie maar vooral met een verborgen symboliek die alleen bij een nauwkeurige studie naar voren treedt. 


Het openingskoor is een franse ouverture met zijn gepuncteerde ritme’s en fugatisch vivace. Deze vorm en haar vocale, intrumentale en contrapuntische brille verbeeldt mogelijk de majesteit van de Allerhoogste


der alles kann und hat’.


De hierna volgende aria's zijn geplaatst in een stijgende rangorde  (bas-tenor-alt-sopraan en bas-sopraan) en ook opmerkelijk; de eerste vier in contrasterende toonsoorten waarna de sopraan binnen haar aria weer mag terugkeren naar de basistoonsoort van bes majeur. 


De intrumentatie, de compositietechniek en de accenten zijn zeer zorgvuldig gerelateerd aan de tekst in diverse gevarieerde vormen; de bas-aria met een doorlopende bas (zorgen, pogingen), de tenor-aria met concertante viool (de overvloedige aanwezigheid van God's genade), de alt-aria met strijkers (antithetische beelden als slaap en ontwaken, liggen en weggaan, kwetsbaarheid en troost), het duet met slechts basso continuo (de zangstem grotendeels in canon: Gods decreet als leiddraad voor menselijke actie) en de sopraan-aria met concertante hobo's (waardoor buitengewone sensitiviteit te verstaan als een liefdesgedicht voor Jezus).


“Ihm hab’ ich mich ergeben”


Het slotkoraal verlaat de gebruikelijke vorm in die zin dat de onafhankelijke strijkers de vierstemmige liedvorm uitbreiden tot een magnifieke zevenstemmige textuur, de symboliek van het getal 7 (perfectie) zal hierbij ongetwijfeld ook een rol spelen. 


Deze cantate is er één waarbij je zo heel lang blijft twijfelen. Geen uitgesproken mooie aria's maar soms de aanzet daartoe. Misschien is hij in een andere uitvoering mooier, dacht ik nog even, maar nee. Ik blijf het tamelijk gekunseld vinden.


Geraadpleegde bron; Ludwig Finscher








 



Een koraalcantate is een cantate waaraan de tekst en in de regel ook de melodie van een kerklied, een koraal, ten grondslag ligt. In koraalcantates is het aandeel van het koor vaak groter dan in andere cantates. In de 'per-omnes-versus'-koraalcantate worden alle strofen van het koraal in de verschillende delen verwerkt.


de cantates de cantates de cantates de cantates de cantates hierna volgt cantate 14