een andere cantate voor de achttiende zondag na Trinitatis

bwv 169 Gott soll allein mein Herze haben

 

Maarten Luther is onder indruk van deze hymne, hij neemt dit lied als eerste op in zijn ‘Gesangbuch’. Lof wordt hier gebracht aan Christus, zijnde de Morgenster die de Wijzen uit het Oosten door dat pastorale landschap moet leiden wat wij zo goed kennen uit onze Kinderbijbel. Een ster die ons leidt naar het Christuskind. Vandaar die stralende fluit die Bach laat rondzwerven, hoog boven het orkest.

 

Dit is één van de koraalcantates uit de tweede jaarcyclus. Opening en slot van de hymne zijn ongewijzigd gebleven, de tweede en derde strofe zijn herschreven als recitatief en aria en het vierde vers, breed geparafraseerd, is verdeeld in een tweede recitatief en een tweede aria. Inmiddels een heel vertrouwd recept dus. Het openingskoor is verdeeld over drie niveaus. We horen het koraal in brede notenwaarden in de altstemmen, omgeven door een vrije vocaal-instrumentale zetting in een wiegende 9/8 maat die melodische associaties oproept met pastorale muziek zoals die bij Christus’ geboorte passend zou zijn en hieroverheen die verre blokfluit die sprankelende figuren produceert

 

'Er ist die Morgensterne'

 

Een zeer plotselinge verhoging naar E groot horen we bij dat woord ‘Morgensterne’.

 

De fluitist moet een andere fluit ter hand nemen om de tenor te begeleiden die in het middendeel van zijn aria een schuchter naar voren treden van de ziel schildert in allerlei chromatische omspelingen. De virtuositeit in deze galante aria kan bedrieglijk zijn. Achter dat geniale vertoon kunnen we de intentie van Bach zien als hij een beeld wil schetsen van de hartstochten van de ziel, de dorst naar het geloof. De manier waarop hij ‘Seufzer’ (zuchtende dissonanten) introduceert en voorbijgaande appoggiatura vergezeld van steeds opnieuw neerwaartse bewegingen. Een innerlijke strijd in de christenziel, dat is wat we hier horen.

 

De bas-aria is minder ingenieus, maar zeer direkt in beeldende kracht. Gardiner ziet in deze aria een voortzetting van de worsteling uit de tenor-aria. Hij noemt het voortgaan hier een ultieme krachtmeting, een stap naar links, dan weer naar rechts; de druk die de pelgrim ervaart als hij voortstruikeld op zijn reis door het leven. We worden wellicht herinnerd aan de verdoemden uit Dante’s inferno die blindelings voorwaarts slingerend verder gaan, het hoofd achterwaarts gewend.

 

 

 


 

'This must surely be one of the most beautiful fantasias Bach ever wrote'. 

 

'Words cannot adequately describe the wonder of this mistic moment with Bach, as he portrays his Savior'. 

 

Aldus Murray Young.

 

‘Normaal laat Bach in zo'n koraalfantasie de sopranen altijd de cantus firmus zingen. Hier zingen de alten de cantus firmus. Daarbovenuit weven de sopranen hun muzikale guirlandes. Dit is stellig één van de redenen waarom dit één van de mooiste openingskoren is. Er zit een drive in, een vaart, een stuwing die ongekend is, zelfs bij Bach. Er zijn tijden geweest dat ik dacht: dit is het allermooiste wat ik van Bach ken. Overigens is dit koor in feite een gigue!’

 

Aldus Maarten 't Hart. En Maarten bespeurt verderop in de tenor-aria een lichtelijk erotische ondertoon die, en dat is zeer uitzonderlijk in het oeuvre van Bach,  een niet onverdienstelijk gedicht oplevert;

 

Ach, ziehe die Seele mit Seilen der Liebe,

O, Jesu, ach zeige dich kräftig in ihr!

Erleuchte sie, dass sie dich gläubig erkenne,

Gib, dass sie mit heiligen Flammen entbrenne,

Ach wirke ein gläubiges Dürsten nach dir!

 

Een mooi, nu eens niet jambisch ritme, goed rijm, fraaie woordkeus, mooie alliteraties in de eerste en de laatste regel, en de dichter heeft de satan er warempel helemaal uit weten te houden! Bach heeft die tekst ook mooi op muziek gezet. Een fraaie aria met een mooie obligate fluitpartij.

 

 

De volgende cantate (hier te vinden) is BWV 5.

 

 

 

 

 

 

'Dante and Virgil in Hell' door William Bouguereau ~ 1850