Monogram Johann Sebastian Bach






 

 

eveneens voor deze zondag    bwv 161 komm, du süße Todesstunde

 bwv 8 liebster Gott, wann werd ich sterben

bwv 27 wer weiss, wie nahe mir mein Ende




Het is moeilijk voorstelbaar dat Bach precies een week na BWV 138 Warum betrübst du dich mein Herz de wereld nu tegemoet treedt met deze cantate, BWV 95. Het verschil is groot.

 

Een fascinerende en buitengewoon originele combinatie van corno met hobo's in dit werk. Bij Gardiner leidt dit tot een werkelijk prachtige entree in een welhaast 'struikelende dans' ofwel moeten we in muziektermen van syncopische ritme's spreken? Later in dit openingsdeel brengt Bach deze instrumenten opnieuw samen in wat je nog het beste kunt omschrijven als een voortdurende worsteling met als inzet; wie mag Luther’s muziek introduceren, te weten zijn parafrase van het Nunc Dimittis. Jazz trompetten, daar kunnen we ook aan denken want er klinkt in deze passage iets door van een jam-session. Een corno, dat is wat we hier horen samen met die hobo’s, maar eigenlijk hebben we geen idee welk instrument Bach hier voor ogen had. Want wat mag dat zijn, een corno? Sommige geleerden denken dat het een cornetto is maar deze muziek spelen op een oude cornetto is welhaast onmogelijk, het brengt de bespeler tot verraderlijke vinger-kruisingen die het voortbrengen van welk geluid ook verhinderen. Bij Gardiner speelt Mike Harrisson het uiteindelijk maar op zijn oude duitse 'Ventiltrompete' bij wijze van alternatief maar dat is een anachronisme, het instrument bestaat immers nog niet in 1723. Maar wel klinkt het fantastisch, dat moet gezegd. Blijkbaar is het toch niet zozeer de verschijningsvorm, de makelij, de datering van het instrument die ons overtuigen, nee het is veel meer de vaardigheid en de verbeeldingskracht van de bespeler waar het om draait. En Mike speelt het klaar om hier een prachtig en geloofwaardig cornetto-achtig geluid te produceren. Er is in die opname van Gardiner een werkelijke competitie aan de gang in die dialoog met de hobo's; we voelen hier welhaast de finale strijd tussen de krachten van leven en dood, het is het moment vóór de ziel uiteindelijk haar langverwachte bestemming vindt. 

 

Het is toch wel heel treffend dat Bach hier - zeer ongebruikelijk - maar liefst vier begrafenis-hymnes op rij gebruikt als steunpilaren voor zijn bouwwerk, ze moeten de gelovige (de tenor) ondersteunen als hij stilstaat bij zijn dood. Die nogal gespierde Christelijkheid van de syncopische opening, de dialogen tussen hobo’s en violen, pulserend van vitaliteit, ze moeten een weg banen voor het eerste koraal, het titelkoraal gezongen in drieën wat zich al snel oplost bij het woord ‘Sterben’, een stem-voor-stem-entree horen we hier die zich opbouwt tot een verminderd septiemakkoord voor het tot een uitbarsting komt bij het vervolg ‘...ist mein Gewinn’. Dit culmineert in de zin ‘Mit Freud fahr ich dahin’ als de verbindende schakel met het koraal wat later zal volgen, Luther’s parafrase van het Nunc Dimitis. De link tussen de koraal-gedeelten wordt eerst nog gevormd door een arioso voor de tenor ‘Mit Freuden, ja mit Herzenslust....’ Wat begon in een driekwartsmaat gaat over in een vrij metrum en hier is Bach hoogst experimenteel bezig waar hij fragmenten van dat syncopische openingsmotief in de tenorsolo gaat injecteren. Het geeft een indruk van een 7/4 maat. Bij de climax van dit arioso zingt de tenor uiteindelijk onbegeleid

 

'Mein Sterbelied ist schon gemacht, ach dürf ich’s heute singen'

 

waarna zonder onderbreking in een dialoog van corno en hobo’s het tweede koraal wordt geïntroduceert, Luther’s ‘Mit Fried und Freud’. Op deze conclusie zijn het de sopranen met de uitroep ‘Nun, falsche Welt! nun hab ich weiter nichts mit dir zu tun’ wat, ook weer zonder onderbreking, leidt naar een betoverend voortgaande  koraalmelodie ‘Valet will ich dir geben, du arge, falsche Welt’ waarna we via een secco recitatief terecht komen bij de enige aria die in dit stuk voorkomt nl. die voor de tenor 

 

'Ach schlage doch bald'

 

Over de pizzicati begrafenisklokken die we in deze aria horen zijn meerdere opvattingen mogelijk. Sommigen menen dat de herhaalde hoge treffers van de fluit zoals we die horen in BWV 8 (deel 1) en in BWV 161 (deel 4) de hooggestemde begrafenisklokken verbeelden die daar de dood van een kind begeleiden. En zo heerst over deze aria de opvatting dat hier in de muziek de werking van een klok verbeeldt wordt. De tenor, wachtend op de slag van zijn laatste uur, wachtend terwijl de strijkers het mechanische tikken verbeelden. De hobo's die het wielmechanisme imiteren dat op de slag van twaalf tot een halt zal komen - precies wat de tijd doet wanneer je ongeduldig bent. De echo van de tweede hobo (in maat 4) stoot de klok even aan waardoor aan het contragewicht getrokken wordt om zodoende de klok weer in beweging te brengen. Ingenieus en plausibel. Laten we aannemen dat Bach het zo bedoeld heeft.

 

Deze cantate is bij mij vanaf het begin heel erg in trek geweest. Ik vind het mooi. Dat zeer bijzondere openingskoor, die heel aparte bewerking van de koraalmelodie, bij Harnoncourt gezongen door een 'Knabe', prachtig gecombineerd met die recitatief-achtige zang van de tenor. Die tenor heeft al een vrij theatrale entree in 't geheel, zeker bij Rilling waar we Adalbert Kraus horen. Maar zijn aria wat verderop is het onbetwiste hoogtepunt van deze cantate. Bijzonder is het met al die beeldende motiefjes, grappig. Het gaat maar door over het verlangen naar de dood en over 'het grote lijden' en intussen is het hoogst originele muziek. Maar de Harnoncourt-versie van deze aria is ook heel bijzonder; het tempo, de pregnante klanken, het bijna stilvallen van de klok, het is prachtig.

 

Maarten noemt de hele cantate 'verrukkelijk' maar de tenor-aria spant natuurlijk de kroon. Overigens is het voor een tenor welhaast onmogelijk om deze pulserende aria te zingen, zegt hij nog. Hier is dan die tenor-aria. En hier is de link naar de volgende cantate, BWV 148.

 

 

 

Bron; John Eliot Gardiner

 

 

 




 

 

 

Het Nunc dimittis (lett. nu laat heengaan), ofwel de Lofzang van Simeon, is een hymne die Simeon heeft uitgesproken toen hij Jezus en zijn ouders in de tempel ontmoette. De tekst staat in het evangelie van Lucas 2,29-32. Simeon had van de Heilige Geest de belofte gekregen, dat hij niet zou sterven, voordat hij de messias had gezien. Op dit moment gaat de belofte in vervulling.