meer cantates voor de negende zondag na Trinitatis


bwv 105 Herr, gehe nicht ins Gericht mit deinem Knecht


bwv 168 tue Rechnung! Donnerwort


Zomer 1724. Bach woont en werkt inmiddels ruim een jaar in Leipzig. Een zelfgekozen, door God ingegeven beslissing is het geweest na een, in materieel opzicht, zorgeloos bestaan in Köthen. Het moet hard zijn nu zoveel werkuren te maken en dan toch nog die financiële druk te voelen. Het is niet prettig te werken in een schoolgebouw wat zo dringend renovatie behoeft. Bach’s plichten op deze school zijn vrijwel non-stop en het is ondankbaar werk, voor zijn diensten op de Universiteitsschool krijgt hij in ‘t geheel niet betaald aangezien het een ‘erefunctie’ is. Een vernederende ervaring. En om nog iets meer zout in zijn wonden te wrijven zijn er diverse hoger geplaatste bestuurders die hem aanvankelijk steun beloofden maar hem nu juist hinderen bij zijn pogingen zijn positie wat te verbeteren. En in de kerkelijke gemeente ziet hij mensen die ostentatief met hun voorspoed pronken. Leipzig is een rijke stad met vele nieuwe gebouwen en maar liefst drie jaarmarkten met de meest modieuze producten vanuit de hele wereld.


De adaptatie van Balthasar Kindermann’s koraal levert Bach een kleurrijke en zeer direkte tekst waarmee de gemeente kennis kan nemen van de betrekkelijke leegheid van materiele pracht. De koraal cantate ‘Was frag ich nach der Welt’ wordt voor het eerst uitgevoerd op 6 augustus 1724 en ze herleeft elk jaar tussen 1732 en 1735. Men kan zich afvragen of een bestaand persoon model gestaan heeft voor de trotse man in deze cantate, hij ‘baut die prächtichsten Paläste’, ‘kleidet sich aufs beste’ en zijn ‘Hochmuts-Turm’ reikt tot in de hemel. Ach, er rest slechts ellende voor wie in de verleiding komt zijn voorbeeld te volgen. De gemeente wordt dan ook dringend gemaand slechts vertrouwen in Christus te stellen. De bas, de alt, de sopraan en tenslotte ook het koor, zij hebben allen een eenduidige boodschap;


‘Mein jesus ist mein Leben, mein Schatz, mein Eigentum’


BWV 94 is een opmerkelijke cantate door de grote rol die voor de fluit is weggelegd. Het is de eerste van een hele serie cantates waar dit het geval is. Het is wel duidelijk; Bach heeft in deze dagen een virtuoze fluitist tot zijn beschikking en hij begint voor dit instrument te componeren, een relatief nieuw instrument in deze tijd. Hoor hoe het openingskoor begint in de stijl van een fluitconcert. Niet alleen in de strijkers horen we toespelingen op het koraalthema. Ook het fluit-thema is gebaseerd op de koraalmelodie; in het deel met de snel opeenvolgende noten wordt de zevende regel van het koraal hoorbaar.


Blijkbaar is deze cantate niet direkt op mijn favorieten-lijstje terechtgekomen. In de eerste commentaren valt veelvuldig de term 'saai' en er wordt ergens een 6 1/2 toegekend. Alleen de tenoraria wordt nogal eens positief beoordeeld maar nooit de cantate als geheel. Pas bij de aanschaf van de Gardiner-versie valt het blijkbaar op hoe mooi dit alles is. Dezelfde versie waarover het oordeel van Maarten 't Hart zo vernietigend is. Lees wat hij schrijft in zijn recensie in het blad Luister. 


Herreweghe, Koopman en Suzuki, zegt hij, hebben ons gewend aan en verwend met een niveau van opnamen van cantates waaraan Gardiner niet kan tippen. Hij weet nog dat intieme, beschroomde klankbeeld van Herreweghe te realiseren, nog de bijna etherische aanpak van Koopman, noch de wat robuustere maar niettemin sterk aan Koopman verwante sfeer van Suzuki op te roepen. Gardiner vat de cantates op als religieuze danssuites. Van cantate 94 maakt hij een extravert, feestelijk stuk. Hij raast door de prachtige tenoraria heen, vermoord de muziek door een idioot tempo.


Tot zover het oordeel van Maarten. Maar ik vind deze uitvoering nu juist de mooiste en die tenoraria heeft een heerlijk tempo en waarom mogen het geen dansstukken zijn? En het koor zingt natuurlijk fabuleus. Het is allemaal veel mooier dan bij Rilling die niet eens zoveel langzamer is maar totaal niet boeit. Harnoncourt neemt wel veel meer tijd en die is toch ook wel mooi, afgezien van de basaria want daar duikt plotseling Philippe Huttenlocher op die, zoals gebruikelijk, buitengewoon theatraal staat te doen. En vervolgens is er ook nog een - zeer intieme - uitvoering van onze zuiderburen, La Petite Bande, aanhangers van Joshua Rifkin’s inzichten en dus met de solisten als koor. Welhaast wat beschroomd wordt daar gezongen. Ach nee, het is wel duidelijk: het tempo doet er niet zoveel toe. De Gardiner uitvoering zou een pronkjuweel kunnen zijn. Jawel, ik zet hem er bij. 


En op zondag 7 oktober 2007 reis ik in alle vroegte af naar de Badkapel te 's Gravenhage om aldaar, ingebed in een langdurige kerkdienst, deze cantate te kunnen beluisteren. De leiding berust bij de oude Jaap Hillen. Hij moet de vader zijn van Lucy Hillen die destijds nog geprobeerd heeft om mij de beginselen van het pianospel bij te brengen. Geroutineerd en braaf, zo valt dit alles het beste te karakteriseren. En als dan de dienstdoende tenor uiteindelijk zijn stem mag verheffen voor wellicht één van de mooiste Bach aria's dan raakt hij meermalen de weg kwijt, en wij met hem. Gelukkig is dit een stralend zonnige dag en de Haagse architectuur wordt elk jaar mooier en we kunnen natuurlijk ook nog een tijdje op het balkon van sauna Blue River gaan liggen. 




Bron: Ruth Tatlow
















Joshua Rifkin is in de klassieke muziek wereld bekend geworden door zijn stelling dat veel van Johann Sebastian Bach 's vocale muziek, met inbegrip van de Matthäus Passion, moet worden uitgevoerd met slechts één zanger per partij, een idee wat algemeen verworpen wordt door zijn collega's wanneer hij dit voor het eerst presenteert in 1981. Meer hierover in dit artikel.



  beluister hierna cantate 101 >>   de cantates de cantates de cantates de cant