Zondag 1. Wat is uw enige troost, beide in leven en sterven?
Antw. Dat ik met lichaam en ziel, beide in leven en sterven, niet mijn, maar mijns getrouwen Zaligmakers Jezus Christus eigen ben, Die met Zijn dierbaar bloed voor al mijn zonden volkomenlijk betaald en mij uit alle heerschappij des duivels verlost heeft, en alzo bewaart, dat zonder den wil mijns hemelsen Vaders geen haar van mijn hoofd vallen kan, ja ook, dat mij alle ding tot mijn zaligheid dienen moet; waarom Hij mij ook door Zijn Heiligen Geest van het eeuwige leven verzekert, en Hem voortaan te leven van harte willig en bereid maakt.
nog een cantate voor de vijfde zondag na Trinitatis
bwv 88 siehe, ich wil viel Fischer aussenden
De Heidelberger Catechismus, wie is er niet groot mee geworden?
Bach baseert cantate 93 op een hymne uit 1641 (‘Wer nun den lieben Gott lässt walten’) met woorden en muziek van Georg Neumark, een hymne die overduidelijk tot zijn favorieten behoort. Hoewel deze cantate stamt uit zijn tweede cyclus lijkt Bach hier terug te gaan naar zijn vroegste wortels, niet alleen door gebruik te maken van dat geliefde lied, maar ook door de manier waarop hij verschillende onderdelen (2 en 5) baseert op het vraag-en-antwoord-systeem van de Catechismus waarmee hij immers al zijn vroege levenslessen geleerd heeft. Hij neemt dus een strofe uit Neuman’s hymne en hij citeert zin voor zin;
Was helfen uns die schweren Sorgen? Was hilft uns unser Weh und Ach?
Vragen die, in een fraai opgetuigde vorm, worden opgeworpen door de solisten, steeds onderbroken door vrije recitatieven met antwoorden als ‘Sie drücken nur das Herz mit Zentnerpein, mit tausend Angst und Schmerz’ enz. enz. Eigenlijk moet je heel vertrouwd zijn met Neumark’s koraal (zoals de toehoorders in de kerkbanken) om die verbazingwekkende variaties, die versieringen, afkortingen en herhalingen waar te nemen. Werkelijk alles wordt hier ingezet voor het retorische en muzikale effekt.
Tot zover de delen 2 en 5. Bij de eerste, vierde en zevende strofe van het koraal verandert Bach juist niets aan te tekst. Met name het openingskoor is een prachtig ontwerp. De vier vocale solisten mogen steeds van start gaan, paarsgewijs zingend in steeds opnieuw een enigszins opgesmukte versie van één van de zes regels van de hymne om het vervolgens over te dragen aan het nadrukkelijk, in ‘full harmony’ aantredende voltallige koor, de lage stemmen mogen dan uitwaaieren naar een decoratief contrapunt.
Heel anders gaat het toe in het centrale deel (4) van dit werk. Daar staat de hymne recht overeind in zijn meest pure vorm, als gouden kapitalen opgetekend in een middeleeuws missaal. Het lied wordt ons woordloos aangeleverd door de violen, unisono, terwijl sopraan en alt de melodie met lyrische ornamenten parafraseren.
De derde en zesde strofe herschrijft Bach tot aria's. In de tenoraria (3) wijzigt het koraal reeds in de eerste zin naar majeur, en transformeert naar een passepied-achtige melodie die een serene rust verbeeldt. Wie zich afvraagt waarom deze dans elke twee maten even rust houdt krijgt het antwoord van de tenor
‘Mann haltet nur ein wenig stille’
en wij moeten vervolgens wel even luisteren naar wat God ons te zeggen heeft. Bij de tweede aria lijkt het alsof we dan toch in een koraal-vrije-zone beland zijn maar dat is opnieuw slechts schijn want bij de woorden ‘Er ist der rechte Wundermann’ is daar toch - bijna zijdelings - die koraalmelodie weer even terug. Men vraagt zich af of al die fijnzinnige humor wel geproefd wordt door zijn toehoorders daar in de kerk te Leipzig of is het misschien toch verspilde moeite?
Bij deze cantate is het vooral de tenoraria die het eerst opvalt. Het komt niet zo vaak voor dat de mooiste aria zo vroeg in de cantate zit. Eerst vind ik dat Harnoncourt wel een mooie uitvoering geeft van deze cantate, of komt het door de betere geluidstechniek? Maar later geef ik de voorkeur aan de Rilling-versie. Vervolgens vind ik Gardiner juist weer erg mooi en als ik daarna Richter hoor dan is dat ook weer prachtig. De strijd gaat toch voornamelijk tussen de tenoren Peter Schreier (natuurlijk) en Kobie van Rensburg, een wat mij betreft tot nu toe onbekende Zuid-Afrikaan. Met een prachtig voorkomen.