Monogram Johann Sebastian Bach










ook voor de vijfentwintigste zondag na Trinitatis

bwv 116 du Friedefürst, Herr Jesu Christ


Het thema van deze cantate is wat de kerk noemt de eschatologie, het ‘schreckliches Ende’. Voor de iets minder bijbelgetrouwen onder ons; het gaat over de angstaanjagende uitkomst die alle zondaars wacht bij het Laatste Oordeel. Ter geruststelling gaat het ook over de genereuze bescherming die God geeft aan Zijn uitverkorenen. Maar de tekst van BWV 90 concentreert zich het toch meest op de schrikbeelden; de hoop van de uitverkorenen horen wij niet eerder dan in het tweede recitatief en in het slotkoraal. Eerst en vooral is daar die dodelijke ernst van de tekst, door Bach in perfecte overeenstemming gebracht met deze somber dreigende compositie die met ongewone hardnekkigheid cirkelt rond D mineur (de voornaamste toonsoort) en G mineur en die in de twee voornaamste aria's de emoties uit de tekst op een wel heel drastische wijze uitbeeldt; het vreselijke, in een volstrekte chaos uitmondende einde horen we eerst bij de tenor in heftige coloraturen, chromatische loopjes, afgebroken phrases en plotseling tevoorschijn schietende motieven in het hoogste bereik. Vervolgens is daar het visioen van de fanatieke rechter verklankt in grandiose oorlogsmuziek, volledig gebouwd op signaal-motieven met concertante trompet, het instrument wat immer symbool is van oorlogsvoering.

 

De cantate opent met zwavel en vuur, het is de prediker die hier het lot van de verstokte zondaar voorspelt. Een furie-aria is het, die, dankzij veelvuldig gebruik van tirades, ingekorte zinnen, grote sprongen in de textuur, dramatische pauzes midden in een woord (‘schreck...lich’), net zo briljant en theatraal naar voren treedt als was het een werk van Georg Friedrich Handel. Bach annexeert hier eigenlijk het hele repertoire van zijn tijdgenoten - inclusief alle Italiaanse operacomponisten - en dat niet alleen, hij verslaat ze in hun eigen domein. Hier horen we een schijnbaar doelloze energie van allerlei melodische vondsten, een ritmisch voortstuwen, alles slechts gericht op het geven van een werkelijke expressie aan de tekst, het is zowel ongeëvenaard als opwindend. Alleen Rameau zal, maar niet eerder dan tientallen jaren later, een serieuze competitie aangaan met Bach.

 

De tweede aria, een kil portret van een ‘wrekende rechter’, is zo mogelijk nog indrukwekkender. Er is een militaristisch tintje aan dat indringende dactylische ritme wat nog wat meer sinister wordt als de trompet maar blijft persisteren met die lage D tegenover de violen met hun A majeur arpeggio’s.

 

Geïmponeerd door die twee intens geschilderde aria’s kunnen we misschien die prachtig gekozen woordschilderingen in de twee recitatieven over het hoofd zien, die verbijsterende schoonheid van dat finale koraal, een vrije versie van het ‘Gebed des Heren’. Het voelt aan als een dankbetuiging van een gemeenschap gelouterd na een kolossale natuurramp - een windhoos of een aardbeving - en ook na herhaaldelijk horen komt het steeds onverwacht, die slingerbeweging bij de afgevlakte tonica als het gaat over het ‘sel’ges Stündelein’, het gezegende uur als de gelovige wordt opgenomen in de goddelijke aanwezigheid.

 

 

Ik vind de cantate kort, maar mooi. Wat een prachtig begin daar bij Rilling met die tenor en die concertante viool, wat een schitterende muziek op een werkelijk (ik moet het even kwijt) vreselijke tekst. Ook bij Leonhardt is die openingsaria prachtig, zeer overtuigend. Maar in de bas-aria bij in deze uitvoering zit een trompet... arme jongen die hierop moet spelen. Hij moet werkelijk alles uit de kast halen en hij doet dat ook. Wat een verbazingwekkend contrast als je vervolgens  trompetvirtuoos Maurice André hoort die bij Werner mag aantreden.

 

Op 29 november 2009 heb ik hevige kiespijn, gevolg van de plaatsing van maar liefst 2 noodkronen. Maar toch; vandaag kunnen we deze cantate beluisteren in de Oude Lutherse Kerk bij het onvolprezen ensemble 'de Swaen'. Maar met kiespijn moeten we geen Bach horen. We moeten wellicht helemaal geen muziek horen. De pijn trekt tot diep in de wortels en zelfs het trommelvlies is aangedaan. ‘Es reisset ein schrecklich Ende’



 

Bron; John Eliot Gardiner

 








kijk ook even op mijn nieuwe website >>  de cantates de cantates de cantates de