nog een cantate voor de zesde zondag na Trinitatis

bwv 170 vergnügte Ruh, beliebte Seelenlust



Dit is een koraalcantate waarvan lang werd aangenomen dat zij stamt uit 1724/25, en dan behoort ze tot de tweede cantatecyclus die Bach in Leipzig componeert. Maar in feite wordt deze cantate pas geschreven in de jaren 1732/35. In 1724 is Bach op de betreffende zondag (16 juli) niet aanwezig in Leipzig, hij is de stad uit voor een optreden bij zijn oude werkgever, prins Leopold van Köthen, en hij schrijft geen cantate. Terugdenkend aan het hiaat dat aldus in zijn cyclus is ontstaan componeert Bach deze cantate zo’n acht tot tien jaar later, wel hanteert hij daarbij dezelfde stijl. Bach heeft een sterke drang tot volledigheid.  

De vorm van het openingskoor is typerend voor de koraalcantates. De melodie wordt zin voor zin gepresenteerd door de sopranen, ondersteund door imiterende lagere stemmen, alles ingebed in thematisch onafhankelijk instrumentaal materiaal. De ongewone 'sound' wordt verkregen door het gebruik van fluit en oboe d'amore die van tijd tot tijd in concertstijl spelen tegen de strijkers in, soms sluiten ze zich even aan bij de eerste violen als bij een concertino

De drie recitatieven van de cantate geven in zeer beknopte vorm een samenvatting van de tekst van de gehele hymne die immers veel langer is dan wat we er hier van horen. De recitatieven zijn allen geschreven voor de bas en ze zijn gezet in een zeer simpele declamerende secco stijl, afgezien van het slot van het vierde deel dat als een arioso geschreven is. De indruk die zo ontstaat is die van een voortdurende preek met daarin twee onderbrekingen bij wijze van contemplatie namelijk voor de beide aria's. 

De eerste aria ‘Wir waren schon so tief gesunken’ is een voorbeeld van Bach's illustratieve vermogen bij de tekst: de neerwaarts strevende figuren op de viool en de syncopische ritme's symboliseren een dreigende val in de afgrond van de zonde. 

De tweede aria, een duet voor alt en sopraan met naast de basso continuo ook fluit en oboe d'amore, is geschreven in een heel andere stijl. Waar de baspartij dit keer slechts een ondersteunende rol krijgt, ontwikkelen de hoge instrumenten een serie canons, waaruit in combinatie met de vocale delen op een bepaald moment zelfs een dubbelcanon oprijst. Ook het middendeel wordt behandelt als een canon hoewel hier de instrumenten niet het voortouw nemen maar juist de vocale partijen volgen terwijl ze soms een decoratieve functie krijgen bij de melodische lijn. Wie deze aria hoort, denkt wellicht niet aan een hooggeleerd of diep doorwrocht bouwwerk. Maar dat is het wel. C.P.E. Bach meldt ons dat zijn vader geen liefhebber is van ‘droog mathematisch materiaal’, maar wel is hij in staat - als hij de geest heeft - om ons te voorzien van het meest bekwame, meest innovatieve contrapunt, beter dan wie ook onder zijn tijdgenoten, maar hij weet dat tegelijkertijd te verbergen onder een laag van melodische charme en aanstekelijk speelplezier. Direct onder die oppervlakte ontdekken we de reden voor het verbergen van al deze geleerdheid; het is immers een zeer bittere pil die de luisteraar hier moet doorslikken. Het dogma namelijk dat wij de rechtvaardiging slechts door het geloof kunnen verkrijgen. Goede werken zullen ons niet helpen. Deze boodschap bereikt de luisteraar dankzij de troost en de warmte van Bach’s muziek, hier is een schijn van eenvoud die de onderliggende complexiteit verhult. 


Maarten ‘t Hart meldt dat deze cantate er in de literatuur ten onrechte slecht vanaf komt. Zo zegt b.v. Murrah Young 'This cantate is not up to his usual high musical acheivement' en dat terwijl het beginkoor - volgens Maarten - verrukkelijk is en het duet beeldschoon. Ook de zwartgallige tenor-aria drukt adequaat uit wat de tekst zegt: 

‘Der Abgrund schluckt uns völlig ein' 

Eerlijk gezegd, bij mij komt deze cantate er ook niet altijd zo goed van af. Wel valt direct op dat mooie alt-sopraan duet, vooral bij La Petite Bande (o.l.v. Sigiswald Kuijken) is het heel mooi maar we luisteren daar dan ook naar Magdalena Kozená. Helaas heeft de belgische tenor Jan van der Crabben wel een heel slechte uitspraak van het duits. Storend is dat toch wel. Andere uitvoeringen (Rilling, Richter, Leusink) vallen niet mee. Ik vind dat het openingskoor licht en dansant zou moeten klinken maar dat lukt niemand. Het klinkt streng en hier en daar zelfs wat lomp. Misschien moet Gardiner uitkomst brengen.

Bij deze cantate (m.n. bij Kuijken) duikt voor het eerst een fenomeen op wat wij later nog vaker zullen aantreffen; koorpartijen gezongen door solisten, vier zangers vormen tezamen een koor. Is het een nieuw fenomeen? Of juist een heel oud? Hoe dan ook, wij danken dit verschijnsel aan Joshua Rifkin. 

Rifkin is in de klassieke muziek wereld bekend geworden door zijn stelling dat veel van Johann Sebastian Bach's vocale muziek, met inbegrip van de Matthäus Passion, moet worden uitgevoerd met slechts één zanger per partij, een idee wat algemeen verworpen wordt door zijn collega's wanneer hij dit voor het eerst presenteert in 1981. Maar toch, in de eenentwintigste eeuw wordt zijn idee alsnog zeer invloedrijk. De dirigent Andrew Parrott schrijft in het jaar 2000 een boek waarin hij het standpunt opnieuw beargumenteert. Als een appendix hierbij publiceert hij het originele betoog van Rifkin zoals hij dat presenteert bij the American Musical Society in 1981, een presentatie die hij dan niet kan voltooien vanwege de sterk afkeurende reactie van het publiek. Maar gerespecteerde Bach kenners als Daniel Melamed en John Butt steunen zijn opvattingen. Bovendien, Rifkin en Parrott zijn inmiddels niet langer de enige dirigenten met een dergelijke uitvoeringspraktijk. Onder de vroege-muziek-beoefenaars die zijn visie overnemen vinden we Paul McCreesh, Konrad Junghänel en Jeffrey Thomas, evenals Sigiswald Kuijken en Eric Milnes, die beiden complete edities van de cantates opnemen. 

Die Rifkin is overigens wel een bijzondere geest. Het is iemand bij wie zulke uiteenlopende types als Judy Collins, the Beatles, P.D.Q. Bach en Marvin Hamlish samenkomen. Wat zegt Wikipedia, de vrije encyclopedie, over deze man? 





Joshua Rifkin (geboren 22 april 1944 in New York) is een Amerikaans dirigent, keyboard-speler, en musicoloog. Bij het grote publiek wordt hij vooral bekend doordat hij een centrale rol speelt in de ragtime-revival in de jaren ‘70 door de drie albums die hij opneemt met Scott Joplin muziek. De albums - die worden gepresenteerd als klassieke muziek - worden in de kritieken geprezen, ze worden een commercieel succes en leidden ertoe dat andere kunstenaars het genre ragtime verder gaan verkennen. Het werk van Rifkin gaat onmiddellijk vooraf aan het opnemen van Joplin’s muziek door Marvin Hamlisch in de film The Sting (1973). Rifkin heeft lesgegeven aan verschillende universiteiten, waaronder de Brandeis University (1970-1982), Harvard, Yale, en is momenteel docent op de Boston University. Hij is bekend om zijn onderzoek op het gebied van renaissance- en barokmuziek. Eén van zijn algemeen aanvaarde bevindingen (1975) is dat Bach’s Matthäus Passion voor het eerst wordt uitgevoerd op Goede Vrijdag 1727, niet in 1729 zoals eerder wordt gedacht. En in een artikel gepubliceerd in het Bach-Jahrbuch in 2000, betoogt Rifkin dat BWV 50 niet is geschreven door Bach. In de jaren ‘60 maakt Rifkin arrangementen voor Judy Collins b.v. voor de albums ‘In My Life’ en ‘Wildflowers’. En hij maakt een opname met humoristische her-interpretaties van muziek van Lennon en McCartney in de stijl van de 18de eeuwse muziek, bekend als het ‘Barock Beatles Book’, onlangs opnieuw uitgegeven op CD. Als bijzonderheid kunnen we ook nog melden dat Rifkin de countertenor solo zingt in de premiere uitvoering van de cantate ‘Iphigenia in Brooklyn’ van de componist P.D.Q. Bach (Peter Schickele). 

verder met cantate 100 >> 

 



 

 

Secco stijl - Men onderscheidt een secco-recitatief en een accompagnato-recitatief. In het eerste geval worden er enkele woorden muzikaal uitgelicht en intoneert men hierop met slechts klavecimbelbegeleiding. In het tweede geval is er sprake van ondersteunende melodieën met meerdere instrumenten. 

Concertino - Een concertino is een kleine groep solisten binnen een barok-orkest in een concerto grosso. Kenmerkend is de afwisseling tussen het grote orkest (het concerto grosso) en het kleine orkest (het concertino).

Arioso - (Ital., = zangerig), in de muziek een tussenvorm tussen een recitatief en een aria. 

Oboe d'amore - De oboe d'amore, ook wel liefdeshobo genoemd, is een muziekinstrument, dat tot de houtblazers wordt gerekend. De oboe d'amore is een dubbelriet aangeblazen instrument, dat erg lijkt op de hobo. Maar in vergelijking met de hobo is de oboe d'amore iets groter en heeft het een iets rustiger en serene klank. De oboe d'amore wordt wel de alt- of mezzo-sopraan onder de hobo's genoemd.