Monogram Johann Sebastian Bach











ook voor de tweeëntwintigste zondag na Trinitatis

bwv 115 mache dich, mein Geist, bereit

bwv 55 ich armer Mensch, ich Sündenknecht

 

Deze cantate uit Bachs eerste jaar in Leipzig is een vergelijkenderwijs weinig pretentieus werk, maar weet ondanks zijn beknoptheid een duidelijke boodschap over te brengen. Deel 2 en 3 spreken van de zonde en obstinaatheid van de mens die onontkoombaar tot Gods oordeel zal leiden. Deel 4 en 5 contrasteren daarmee sterk en benadrukken juist de verlossing die door Jezus teweeggebracht is. 

 

Maar eerst is daar God zelf die tot ons spreekt in de openingsaria. We horen hem als hij zich - zoals beschreven in het boek Hosea - hardop afvraagt of hij het volk van Israel zal straffen zoals hij dat eerder deed met de steden Sodom en Gomorra. Of, en dat is Zijn dilemma, zal hij toegeven aan Zijn verlangen om barmhartig te zijn? Bijbelwoorden worden bij Bach meestal vertolkt door een koor maar mogelijk vind hij  dat in dit geval, God zelf spreekt tot ons, ongepast. Hij laat het deze woorden zingen door de bas, doorgaans de vertolker van Christus (de Vox Christi) maar hier dus optredend als de Vox Dei.

 

Qua vorm is het openingsdeel een combinatie van arioso en aria omarmt door een ritornello van het orkest. We horen een klaaglijk motief in de hobo’s (er dreigt straf) en tegelijkertijd klinken er vraagtekens in het aandeel van de strijkers. God de vader moet wraakzuchtig zijn t.a.v. zijn weerspannige kinderen maar de vele stiltes in zijn overpeinzingen (fermates) benadrukken zijn twijfel. 

 

Hoewel Bach een jachthoorn (corno da caccia) aan zijn instrumentatie toevoegd beïnvloed dat de muzikale structuur van deze cantate niet. In de finale speelt de hoorn de cantus firmus en in de opening deelt Bach het instrument alleen een begeleidende rol toe. Dat brengt Alfred Dür tot de veronderstelling dat Bach alleen maar de bedoeling had een getalenteerde musicus een mogelijkheid te geven om mee te spelen. De partij kan ook later toegevoegd zijn. De hedendaagse organisator van cantate-uitvoeringen moet niet zelden veel moeite doen om een hoornist te vinden die deze partij wil spelen en dat is tegen deze achtergrond wel enigszins vermakelijk.   

 

Daarna mag de alt zich, op belerende toon, tot de zondaar richten met teksten van de apostel Jacobus; de onbarmhartige wacht een onbarmhartige afrekening luidt de boodschap. Met name in de aria (3) wordt de hardheid van God's oordeel benadrukt en de gedachte aan wraak verbeeld. Treffende coloraturen horen we en ongewone harmonieën en een bezetting - alleen continuo - die streng is en daarmee onverbiddelijk. Er mag geen enkel obligaat instrument meedoen om de kilte te verzachten. 

 

De sopraan, als zo vaak de voorbeeldige gelovige, mag dan het keerpunt in de cantate inluiden. Haar recitatief (4) heeft ook weer een arioso aan 't einde. Daarmee richt zich de aandacht op de nu volgende aria die een dansant menuet-ritme volgt. Na drie karig geïnstrumenteerde delen mag nu dan toch een hobo aantreden met een opwaarts wijzend thema dat uiteindelijk door solist en continuo wordt gedeeld; Christus’ dood heeft ons verlost van alle schuld. 

 

En wat vinden we er van? Wisselend, moeilijk iets van te zeggen, soms.....Nee, laat ik maar eerlijk zijn: deze vind ik echt niet zo bijzonder. Deze cantate wordt eigenlijk nooit uitgevoerd en dat is goed te begrijpen.

 



 





ga hier verder naar cantate 194 >>  de cantates de cantates de cantates de can