nog een cantate voor de vijfde zondag na Trinitatis

bwv 93 wer nur der lieben Gott lässt walten




Jeremia 16.16: Jahwe stuurt zijn dienaars (vissers/jagers) erop uit om de zondaars terug op het rechte pad te brengen.

Ziet, Ik zal zenden tot veel vissers, spreekt de Heere, die zullen hen vissen; en daarna zal Ik zenden tot veel jagers, die zullen hen jagen, van op allen berg, en van op allen heuvel, ja, uit de kloven der steenrotsen. Want Mijn ogen zijn op al hun wegen; zij zijn voor Mijn aangezicht niet verborgen, noch hun ongerechtigheid verholen van voor Mijn ogen.


 






Een cantate is muziek voor bij de preek. Het doel van de kerkcantate is niet alleen om de kerkganger te stichten maar het is ook de bedoeling om verdieping aan de evangelietekst te geven. Educatie van de kerkelijke gemeente dus. Dat de betekent dat de interresse gewekt moet worden en dat de toehoorder aandachtig moet blijven. Eén van de kenmerken van zulke 'educatieve' muziek is daarom dat ze bepaalde dramatische principes moet volgen, bijvoorbeeld moet ze een dialectische structuur hebben, of een dialoogvorm. En ze dient te eindigen met een synthese. Deze wordt doorgaans bereikt in het finale koraal, het kerklied dat immers symbool staat voor de stem van de hele gemeente. 

Deze cantate toont nu eens een heel andere variant van dit model. Bach verdeelt het werk in twee delen, bedoeld om uitgevoerd te worden voor en na de preek. Het eerste deel is de expositie (een situatieschets kunnen we zeggen) en het tweede suggereert een oplossing die ons aangeboden wordt vanuit de heilsgeschiedenis. De basis voor de cantate is de evangelielezing betreffende Petrus' roeping, m.n. het beroep wat Christus op hem doet om voortaan ‘visser van mensen’ te zijn. Toch gaat het hier niet alleen over Petrus, steeds wordt teruggegrepen op die eerdere teksten uit het Oude Testament, waar reeds dat beeld (‘visser van mensen’) gebruikt wordt. De dualiteit tussen de beide teksten, tussen het Oude en het Nieuwe Testament zal in deze cantate op verschillende wijze steeds terugkeren.

 

Het eerste deel start met een onderdeel dat op zichzelf al dualistisch is. De tekst gaat over vissers en jagers. Bach beschrijft eerst een scene aan het meer, een uitgebreide bas-aria is het, in feite een zangerige barcarolle met twee oboe d'amore en strijkers. Rustig vloeiende, gestadig stromende muziek met motieven die de deining van het water en de zwemmende vissen suggereren. Als de tekst over jagers spreekt verschijnen een paar razende hoorns ten tonele die de scene zeer plotseling doen veranderen ('Allegro quasi presto') in een jachtpartij. Het contrast tussen visvangst en hertenjacht moet maximaal zijn. Een harde noot om te kraken voor het orkest. 

Daarna vervolgt Bach met de rethoriek van een prediker in het nu volgende recitatief (2) wat eindigt met de dramatische vraag ‘Wanneer de mens zich van Hem afkeert, zal God hem dan in de steek laten?’

‘Nein, Gott ist allezeit geflissen’ 

Dit ‘Neen’ is een krachtig antwoord van de tenor op die door hemzelf opgeworpen vraag. Op dit punt wordt het declamerend recitatief, hier gebruikt als kunstzinnige vorm van preken, opgetild naar het hogere niveau van die menuet-achtige aria die de beoogde theologische gedachte verder zal gaan uitwerken. Om vraag en antwoord direkt op elkaar te laten aansluiten heeft Bach intussen wel iets opmerkelijks gedaan. Hij liet het ritornello waarmee een aria doorgaans begint dit keer achterwege, waarmee hij de dramatiek verhoogd. Hij voegt het alsnog toe aan het eind van de aria, om het eerste deel van de cantate een passende afsluiting te geven.

Ook het tweede deel begint met een dualiteit. Begeleid door een aandachttrekkende strijkerszetting introduceert de solo tenor - als was hij een oratorium evangelist - de Vox Christi. Deze predikt zijn boodschap in een rustig arioso die aanvankelijk een rustig spreektempo aanhoudt maar uiteindelijk in dialoog met een zeer energieke continuo verwikkeld raakt. Dit is de Vox Domini die reflecteert op de vragen uit deel 1 met als eenduidige boodschap dat wij geen angst hoeven te hebben

'Furchtet euch nicht' 

Een hierna volgend duet voor sopraan en alt, heeft veel weg van wat Bach elders doet in zijn tweestemmige inventionen; veel subtiele, maar uiterst sublieme imitatie, zowel tussen hoge en lage strijkers, als tussen sopraan en alt. En zeer opvallende seufzer motieven (zuchten) in de laatste regels. Bij het horen van deze klanken wordt wellicht ook de relevantie van de vissers en jagers uit deel I duidelijk; die opening is blijkbaar bedoeld om ons te herinneren aan de scenes aan de oever van het meer. Petrus, de visser, wordt hier door Jezus gevraagd om hem na te volgen, om zijn discipel te zijn. Mogelijk is het een zeer vroege uiting van moderniteit waar de componist zich hier van bedient; Bach maakt gebruik van het collectieve geheugen van zijn toehoorders.


Luister naar de uitvoering van Rilling en dan is deze cantate mooi, en wel bij eerste beluistering al. De opening is prachtig, maar vooral die eerste aria (voor de bas). Maarten ‘t Hart:

"Hoor ik die eerste aria, die zo verwant is aan alle aria's in 6/8 maat (b.v. die uit 41) dan wil ik die andere vergelijkbare aria's ook weer horen. Alsof ik ze aan elkaar wil toetsen. Alsof ik wil vaststellen dat Bach, terwijl maatsoort en harmonisatie en melodie vorming sprekend op elkaar lijken, zich toch nooit herhaalde, toch elke keer weer een ander wonder wist te bewerkstelligen." 

De volgende cantate is een solowerk, het is de beroemde bwv 170.