Monogram Johann Sebastian Bach







ook voor de negende zondag voor Pasen (Septuagesimae)

bwv 92 ich hab in Gottes Herz und Sinn

bwv 144 nimm, was dein ist, und gehe hin


Zondagmorgen, het is de laatste dag van januari 2010. Sinds kort begint de zondag met Theo en Thea ('waar gaat het vandaag over Thea?') want die heb ik nu op video dankzij de nachtelijke VPRO-marathon, dankjewel VPRO. En voor de vierde keer in deze winter is Amsterdam helemaal wit en glad. Maar lijn 14 rijdt en we kunnen dus mooi op tijd in de zeer, zeer koude Westerkerk zijn. 

Ds. Fokkelien Oosterwijk zegt dat er eigenlijk geen goede Nederlands uitdrukking is voor 'vergnügt sein'. Het is niet 'vergenoegd' want dat geeft eerder blijk van een zekere eigendunk en dat wordt zeker niet bedoeld. Ook 'tevredenheid' met die ietwat kleinburgerlijke bijbetekenis dekt de lading niet. Het is meer een weloverwogen afweging van de mens die tot de conclusie komt dat er aan essentiële behoeften voldaan is, hij is het fun-shoppen en de last-minute-boeking voorbij. Rust is er, en vrede. Iets in die geest. 

'Ich bin vergnügt mit meinem Glucke' 

Dan nog maar wat lezen over deze cantate en er mogelijk iets verstandigs over schrijven. Wat lees ik zoal?

De dingen die het eerst opvallen zijn de bescheiden bezetting (slechts één solist) en de weinig eisende vorm (aria - recitatief - aria - recitatief - koraal) die beide de gewone italiaanse -wereldse- kamercantate in herinnering roepen. Toch is met deze bescheiden middelen en binnen dit bescheiden raamwerk een maximum aan differentiatie bereikt; b.v. op het gebied van de toonsoorten (E mineur, B/D mineur, G majeur, E/F mineur, B mineur), bij het karakter van de aria's, bij de nuanceringen tussen de recitatieven en natuurlijk ook in allerlei compositorische details. 

Zo belicht de eerste aria het plezier en de voldoening waarover de tekst spreekt en ze biedt een feestelijke beweging in 3/4 maat met melismatische figuren daarbij voor de zangstem. Een concertante hobo en dansante effecten van gepuncteerde en syncopische ritmes karakteriseren het deel verder. Het hierop volgende recitatief is helemaal toegesneden op empathische declamatie. De tweede aria speelt het dansante karakter van de eerste helemaal uit in een 3/8 maat met vreugdevolle coloraturen, uitbundige top-noten en een concertante speelstijl van hobo en solo viool. Het tweede recitatief krijgt een opvallende klemtoon met een ernstige strijkersbegeleiding, waarna het slotkoraal weer uitgesproken simpel weerklinkt. 

Een korte cantate. Zozeer dat we er in de kerk nog een tweede aan vast kunnen knopen en dat gebeurt dan ook; BWV 144.

Dat hij zo beknopt is, voor de cd-opname is dat een groot geluk voor die arme jongen daar bij Harnoncourt die het helemaal alleen moet doen. En is het eigenlijk niet wat teveel van het goede, een hele cantate lang een jongenssopraan. De tweede aria is -hoewel dat pas later opvalt- wèl mooi door die prachtige concertante viool plus een vele malen gesampled thema. Later valt dit nog veel meer op als ik hem hoor op de c.d. van Magdalena Kozeva waar hij werkelijk fabuleus oplicht in dat geheel. En bij die stokoude Scherzen-opname klinkt die aria onverwachts blijmoedig en vlot. Mooi! 









de cantates  de cantates  de cantates  de cantates  de cantates verder met 193