andere cantates voor Maria Reiniging  bwv 82 ich habe genung!

bwv 125 mit Fried und Freud ich fahr dahin

bwv 200 bekennen will ich seinen Namen

bwv 125 mit Fried und Freud ich fahr dahin

bwv 157 ich lasse dich nicht, du segnest mich denn





Zo laat Gij, HEER, Uw knecht,

Naar 't woord, hem toegezegd,

Thans henengaan in vrede;

Nu hij Uw zaligheid,

Zo lang door hem verbeid,

Gezien heeft, op zijn bede.

Een licht, zo groot, zo schoon,

Gedaald van 's hemels troon,

Straalt volk bij volk in d' ogen;

Terwijl 't het blind gezicht

van 't heidendom verlicht,

En Isrel zal verhogen.


(Nunc dimitis ofwel de Lofzang van Simeon, berijming van 1773)



Kaarslicht werkt bijzonder opwekkend op donkere winterochtenden. Veertig dagen na de kerst stromen kaarslichtprocessies binnen in de kerken van heel Europa, om zo de kilte en de schemering te verdrijven en een centrum van licht te bewerkstelligen temidden van de geloofsgemeenschap. Het is het feest van Maria Lichtmis. 


40 dagen na de geboorte van een jongen biedt de moeder, volgens de joodse traditie, een lamp en een duif aan om die te offeren en om zo gezuiverd te worden van de onreinheid die de geboorte van een kind teweeg heeft gebracht. In het geval van Maria valt dag 40 op de 2e februari en het is op die dag dat zij de oude man Simeon ontmoet in de tempel. Aan hem is geopenbaard dat hij niet zal sterven voor hij Christus gezien heeft. En hier herkent dan Simeon met zijn profetische blik de Christus in het kind Jezus en maakt aldus een einde aan het tijdperk waarin om vergeving te krijgen de dood van dieren noodzakelijk is en dit is het begin van een nieuwe orde waarin Jezus zichzelf aanbiedt als het Paaslam en zal sterven; voor eens en voor altijd het perfecte offer. 


Maria Lichtmis is de afsluiting van alle feestelijkheden rond kerstmis. En het ‘Nunc dimitis’ dan wel de Lofzang van Simeon verwijst naar het heil voor elke gelovige. Als hij voor dit feest het Evangelie van Lucas aanhaalt verwoordt Maarten Luther wat Simeon zegt;


Lof en dank zij de Heer dat ik heb geleefd tot nu toe zodat ik deze dag kan zien; ik zal gelukkig sterven, mijn dood nu zal heerlijk zijn omdat God  vervuld heeft wat Hij me gezegd heeft dat hij zou doen. Want mijn ogen hebben zijn Zaligheid gezien.

 

Hoe reageert Bach, wees geworden toen hij 10 was en weduwnaar op de leeftijd van 35 op deze bijbelse passages? In de tekst van cantate 83 contrasteert de oud-testamentische wet sterk met de nieuwe orde van Christus met pas aan het eind de introductie van het licht. Bach kiest in de openingsaria voor een levendige soloviool en voor vocale melisma's op het woord 'erfreute' en 'freudig' om zo de vreugdevolle tijd van de nieuwe orde te verbeelden. In het tweede deel karakteriseert hij die oude orde met archaische muzikale vormen als daar zijn een canon en een middeleeuwse psalmmelodie voor het Nunc dimitis, in een versie die Luther’s retorische formuleringen benadert;


Es kann erfreut den Ausspruch tun; Denn meine Augen haben deinen Heiland gesehen.’


En dan wordt de wat muffe sfeer verbroken als de tenor tesamen met die voortsnellende soloviool zich naar de troon der genade haasten (3). 


Als dan het volgende deel uitgevoerd wordt (een recitatief, 4) dan zal het zo ongeveer tegen 8 a.m. lopen als het winterse daglicht gaat wedijveren met de kaarslicht; een behulpzame illustratie bij 


'Dein Heiland kann der zweifel Schatten trennen'


waarna het slotkoraal vervolgens spreekt over ‘Heil und selig Licht’.


Tsja, cantate 83. Jammer die openingsaria met een onzeker jongetje en onzekere hoorns. Het wachten is op een hoogtepunt wat maar niet komt. We kunnen nog denken dat het aan de uitvoering ligt maar inmiddels bezit ik er vier en het enthousiasme blijft uit. De tenor-aria kunnen we misschien nog als ‘aardig’ bestempelen maar zo’n oordeel is toch wat zuinig bij een onmiskenbaar feestelijk bedoeld werk.


Zou een live uitvoering hier misschien goed aan doen? Nee, toch niet. Het is 9 mei 2011, het Muziekgebouw te Amsterdam. De Nederlandse Bachvereniging zet deze cantate op het programma, samen met de cantates 73 en 81. Drie opeenvolgende werken, allen uit januari-februari 1724, Bach’s eerste jaargang in Leipzig. Voor het eerst componeert Bach weer vernieuwende muziek, vermoedelijk wil hij alsnog zijn reputatie in zijn nieuwe werkomgeving vestigen. In april 1723 is hij als derde keuze tot Thomascantor benoemd nadat Telemann en Graupner voor de eer hebben bedankt. Bach neemt met deze composities een zeker risico, aangezien hij weet dat het stadsbestuur zeer hecht aan een zeer traditiegetrouwe benadering van de Lutherse kerkmuziek. Moderne invloeden, bijvoorbeeld uit theater en opera, zijn ongewenst, zo is hem duidelijk meegedeeld. Maar daar klinken opeens die dramatische recitatieven in het beginkoor van cantate 73, die doodsklokken in de bas-aria. Er wordt een  storm verbeeldt in cantate 81 en het is duidelijk; Bach laat zijn voorzichtigheid in de kerkmuziek nu achter zich. 









Een interessante suggestie over deze cantate in dit artikel 'De Italiaaanse connectie'


De volgende cantate is BWV 144. Lees hier de toelichting