andere cantates voor Maria Reiniging  bwv 83 erfreute Zeit im neuen Bunde

bwv 125 mit Fried und Freud ich fahr dahin

bwv 200 bekennen will ich seinen Namen

bwv 125 mit Fried und Freud ich fahr dahin

bwv 157 ich lasse dich nicht, du segnest mich denn



Bijzonder, en ook wel een beetje vreemd, is de zoals wel vaker bij Bach, onverhuld erotische ondertoon die spreekt uit teksten die betrekking hebben op de liefde voor Jezus. Zie bijvoorbeeld de onsterfelijke regels uit cantate 82;


‘Ik heb de heiland, de hope der vromen, in mijn begerige armen genomen.’


Tja. En dit is dan een cantate voor Maria-Lichtmis, dat wil zeggen voor de tweede februari. 


We horen in deze cantate geen koor en ook geen koraal! Het werk bestaat uit drie aria's die met elkaar verbonden zijn door twee recitatieven. Het is één van de hele mooie en bekende cantates die in een recente lijst van radio 4 (2011) eindigt op nr. 73. De keus van de luisteraar. Dat moet toch vooral te danken zijn aan de aria 'Schlummert ein'. Kennen wij die ook niet van het Notenbüchlein voor Anna Magdalena? Jawel, Anna Magdalena kopieert het tweede en derde deel van deze cantate in haar notitieboek. Het is begin 1726 en het is zes maanden na de dood van haar drie jaar oude dochtertje. Natuurlijk doelt Bach in deze cantate op zijn relatie met Christus maar zou hier ook een vader aan het woord kunnen zijn die hulpeloos moet toezien hoe zijn dochter in een dodelijke slaap valt, en zou die vreugdevolle dans aan het eind ook vooruit kunnen zien naar een hereniging in de eeuwigheid?


Op 25 januari 2004 hoor ik deze cantate in de Lutherse kerk in Amsterdam. Opvallend is het gebruik van twee zeer  verschillende hobo's. In die bekende aria 'Schlummert ein' tovert Lucas van Helsdingen een oboe da caccia tevoorschijn, een vrij groot, gebogen instrument, eindigend in een trompetachtige trechter. De klank doet denken aan een hoorn. Het schijnt dat de engelse hoorn vaak als zodanig gebruikt wordt maar dat is natuurlijk niet authentiek. En wat speelt Lucas schitterend en wat zingt Pierre Guy Le Gall White ontroerend mooi. Helaas vind ik nergens een CD waarop beide hobo's voorkomen. 


Maarten 't Hart spreekt in superlatieven over deze cantate: De eerste aria is al wonderschoon maar de tweede aria....... daarvoor schieten alle woorden te kort. De derde is heel apart: uiterst levenslustige muziek op de tekst 'Ich freue mich auf meinem Tod'. Deze cantate is, zegt hij, de tweelingbroer van 56. En hij meldt dat deze cantate zijn bestaan begon als een solocantate voor de bas. Daarna werd de cantate, een terts omhoog getransponeerd, aan een sopraan gegeven, vervolgens weer in de oorspronkelijke toonsoort aan een alt (mezzo): uiteindelijk werd ze rond 1746 aan een bas gegund: mogelijk Bach's schoonzoon Altnikol. Op basis van de sopraanversie in e (met een solerende traverso i.p.v. een hobo) presenteert Ian Bostridge haar op een CD uit 2000 als tenor-aria, waarbij opgemerkt mag worden dat ze de typerende ligging van Bach's gewoonlijke tenorpartijen niet haalt. Wat je ook over de zin of noodzaak van dergelijke gedaanteverwisselingen mag zeggen, Bostridge laat die - aldus nog steeds Maarten in een Luister-recensie - overtuigend klinken, lyrisch warm en met een weldadige rust. 'Schlummert ein' klinkt zelfs buitengewoon innig, ondanks een enkele vale intonatie in het strijkersensemble.


Dan bezit ik ook nog een alternatieve versie o.l.v. Geraint Jones. Dat is de oudste opname die ik ken, uit 1959 stamt deze met een plechtstatig zingende Gerard Souzay. Wat een verschil met die recente opname van Ian Bostridge. Engelsman Ian zingt met een italiaans orkest, een onmiskenbaar italiaans geluid. De franse Gerard zingt in de Abbey Road studio's juist met een engels orkest, prachtig gedragen, romantisch, plechtstatig. Wat een mooie stem! Het orkest bij Bostridge is veel kleiner en heeft dus die prominente traverso voortdurend op de voorgrond, soms hoor je een luit. Het is allemaal heel mooi maar Gerard zit er toch dichter bij naar mijn gevoel. 


Bij Harnoncourt klinkt alles prachtig maar de zanger maakt er iets teveel opera van. Geen wonder want het blijkt Philippe Huttenlocher te zijn die ook veel Rilling opnamen ontsiert. Wel is dit de enige opname met een oboe da caccia i.p.v. de fluit. Fischer-Dieskau die deze keer bij Rilling zingt is prachtig en ook het orkest is hier heel mooi. 


Bronnen; Ruth Tatlow/Maarten ‘t Hart








volgens de chronologie volgt hierna cantate 157  de cantates de cantates de cantates