Signature de Bach











Als Johann Sebastian Bach nu eens niet in dienst van de kerk was geweest? Had hij niet in Weimar en Leipzig gewoond maar bijvoorbeeld in Wenen? Had hij zich niet toegelegd op kerkmuziek, cantates, oratoria, maar op werk voor het muziektheater, de opera? Wie zich die vraag stelt moet luisteren naar deze cantate, BWV 81. Want nergens, ook niet in zijn seculiere composities, treffen we zoveel theatrale elementen aan als juist in dit verbazingwekkende werk. Het is één van die zeldzame cantates waar Bach grijpt naar een juist zeer dramatisch element uit het Evangelie - in dit geval Jezus die een turbulente storm op het Meer van Gallilea tot rust brengt als de boot waarin hij met de 12 discipelen ronddobbert dreigt te kapseizen - en hij vormt dat gegeven om tot een metafoor die de christenen van zijn tijd past; het leven als een reis op zee. 

 

De cantate verloopt via een aanvankelijke vredigheid langs verschillende vormen van gevaar en verleiding om uiteindelijk terug te keren naar kalmte in een getemde natuur. 

 

Diepe, vredige violen schilderen een beeld van een kristalhelder, kalm meer. Maar het slapen van Jezus aan boord van dat schip vormt nu juist de achtergrond voor een angstaanjagende overdenking over de verschrikkingen van het verlaten zijn in een wereld zonder God. Blokfluiten horen we dus, ouderwetse blokfluiten die als zo vaak bij Bach direkt associaties moeten oproepen met zowel de dood als met de slaap. Het is niet verbazingwekkend dat Bach deze openingsaria toebedeeld aan een alt, een stemtype dat hij steeds verbindt met treurnis en angst. En hier wordt die zanger (zangeres) uitgedaagd met zowel een technische als een symbolische houdbaarheidstest, een lage Bes zonder vibrato maar liefst tien tellen aanhouden (en dat twee maal) en vervolgens verder zingen om de gapende afgrond van de naderende dood op te roepen. 

 

Een leven zonder Jezus (Zijn diepe slaap duurt voort gedurende de eerste drie delen) moet bij zijn discipelen en bij latere generaties angsten oproepen en een gevoel van vervreemding dat aan de oppervlakte komt in het tenor recitatief (2) met dissonante harmonieën. We kunnen op dat moment denken aan de woorden van psalm 13;

 

Hoe lang zult Gij mij vergeten, oh Heer? Voor altijd? Hoe lang dan zult Gij uw aangezicht voor mij verbergen? 

 

Het is nogal plotseling als daar dan die storm losbreekt. En het is werkelijk verbazingwekkend wat Bach daar creëert van een simpel 3/8 allegro in G groot, met alleen strijkers. Een steeds maar voortdurend schuim van gewelddadige tweeendertigsten in de eerste violen moeten het opnemen tegen dat bonzende pulseren van de hobo’s, de bassen; het is de razernij van Belial’s wateren die tegen dat kleine vaartuig slaan. Nee, Bach had voor een opera geen betere muziek kunnen schrijven; alles rijst en daalt in werkelijk angstaanjagende scenes. Ondanks al dat realisme is die storm toch ook een verbeelding van de goddeloze krachten die de eenzame christen dreigen te overspoelen als hij zijn belagers weerstaat. 

 

En dan horen we Jezus (de bas als Vox Christi) die zijn discipelen vraagt waarom ze angstig zijn. Waarom zo weinig Godsvertrouwen en was het nu werkelijk nodig geweest hem hiervoor te wekken? Na al dat kleurrijke drama is het toch wel heel opvallend; dit eentonige arioso (4), het steeds maar herhalen, al die ‘warums’, steeds opnieuw. Men kan zich afvragen of dat nu dramatisch realisme is, de Christus die geeuwend maar ook geïrriteerd wakker wordt na al dat tumult. Of is het misschien een milde vorm van satire; is dit misschien een van die gelegenheden dat Bach wat plezier maakt ten koste van zijn Leipziger theologische opdrachtgevers.

 

Maar er volgt nog een tweede zeescene, niet minder stormachtig maar nu in de vorm van een bas aria. Uiteindelijk (maar dan zijn we bij 5) kalmeert Jezus de razende krachten van oceaan, storm en wind. 

 

Bach, levenslang ingesloten in het land, heeft hoogstwaarschijnlijk nimmer een storm op zee aanschouwt. Wel heeft één van zijn favoriete tekstschrijvers, de theoloog Heinrich Müller, deze ervaring gehad. Müller woonde in Rostock, aan de Baltische kust en heeft zeer welsprekend dit specifieke incident uit het evangelie van Matteüs verwoord. Hoe dan ook, Bach heeft er genoeg aan gehad om dit alles inventief en met veel gevoel voor drama te behandelen. Maar wat dachten de vrome gelovigen op die doodgewone zondag, de 30ste januari 1724? We kunnen er zeker van zijn dat Bach met dit alles tegen de haren ingestreken zou hebben van eerwaarde Leipziger gezagsdragers als dr. Steger die, negen maanden eerder, op Bach als nieuwe cantor heeft gestemd maar wel met de impliciete voorwaarde dat hij ‘composities zou vervaardigen die niet theatraal zouden zijn’.

 

Bij mij komt deze cantate pas echt binnen als ik mijn nieuwe NAD-versterker op proef heb met de B&W boxen die ik later zal aanschaffen. Zondagochtend, ik geniet ervan. Het slotkoraal herinnert aan de gereformeerde kerk te Poortvliet;

 

'Evangeliewoord'

 

Maarten vindt de eerste aria wondermooi. 














Signature de Bach


ga verder naar cantate 83 >>  de cantates de cantates de