eveneens voor deze zondag    bwv 161 komm, du süße Todesstunde

bwv 95 Christus, der ist mein Leben

bwv 27 wer weiss, wie nahe mir mein Ende



Er bestaan meerdere versies van deze cantate. Later heeft Bach deze cantate van E groot getransponeerd naar D groot maar die eerste is de versie die wij altijd horen. Het is een koraalcantate naar de hymne van Caspar Neumann, geschreven voor de zondagsdienst van 24 september 1724. De evangelielezing voor deze zondag gaat over de jongeling uit Nain die uit de dood wordt opgewekt. En natuurlijk gaat het dan ook over onze dood en over de geruststellende zekerheid dat Jezus ook ons uit de dood zal doen ontwaken (‘Mich rufet mein Jesus, wer sollte nicht gehen’). 

Het koraal van Neumann - oorspronkelijk een hymne voor een uitvaart - verschijnt in een zeer expressief geornamenteerde vorm in het openingskoor, maar in vergelijking met andere koraalcantates is de zetting hier juist verrassend simpel. Bach maakt van één van de regels van het koraal
‘Meine Zeit läuft immer hin’ het vertrekpunt voor een extreem intense muzikale schildering. Een sterke nadruk in dit openingsdeel ligt op ongewoon uitgebreide instrumentale ritornelli, waarvoor Bach een buitengewoon beeldend klankbeeld heeft geschapen. Boven een aanhoudend trillende passage in de gedempte violen, muzikaal equivalent van de voortschrijdende tijd, ontvouwen twee oboe d' amore een constant gevarieerd ritornello thema, dat staat voor het idee van de tijd die ons ontglipt. Deze hobo's worden vergezeld door een piccolo wiens herhaalde noten - gespeeld buiten het normale klankpalet - een gestileerde verbeelding van de doodsbel vormen. 

In het scherpst denkbare contrast met de elegische sereniteit van het openingskoor staat de nu volgende aria ‘Was willst du dich mein Geist entsetzen’ een sterk expressief geladen stuk, met een zowel ritmisch als melodisch gespleten karakter, dat de de angstige spanning voor het moment van de dood in zich gevangen heeft. Een begeleid recitatief leidt vervolgens naar een bas-aria waarin doodsangst lijkt te veranderen in de zekerheid van een beter leven. Het contrast met de eerste aria is groot; een volledige strijkerszetting en het opgewekt dansante ritme van een gigue. In een grote variatie van mogelijkheden grijpt Bach hier steeds terug naar het openingskoor waar, net als in deze aria, een wiegende 12/8 maat de toon zet voor een vredig pastoraal gebaar, en ook speelt de fluit hier een significante rol. Afgezien van een paar kleine aanpassingen heeft Bach de melodie en de harmonisatie van het slotkoraal behouden. 

Vele recencenten van deze cantate putten zich uit in superlatieven. Maarten 't Hart: 'In 't oeuvre van Bach is er weinig te vinden dat de lieflijkheid, de bezwerende betovering, de pure magie van 't openingskoor evenaart'. En hij vervolgt dan met de vermelding dat in de aria's de sfeer van het openingskoor op een alledaagser niveau wordt gecontinueerd. Spitta: 'Ein Tonbild wie aus Glockenklang und Blumenduft gewoben, die Stimmung eines Kirchhofs im Frühling athmend'. Nieuwkerk: 'Ontroerend mooie orkestklanken horen we in 't openingskoor bij Leonhardt met die aanhoudend repeterende fluit!' Maar het is niet alleen dat openingskoor, ook de aria's zijn erg mooi. Bij Rilling het koor veel te vlot en daardoor weinig mystiek maar de rest van de cantate is juist weer wèl prachtig gedaan. De uitvoering met Gardiner is zoals je zou verwachten; perfectionistisch, evenwichtig en met ijzingwekkend mooie koorzang, ietwat ontsiert door de mannelijke alt. Maar er blijft twijfel of er wellicht toch nog mooiere versie is; die van het Collegium Vocale. Recencent Maarten wijst dan nog op een versie van Karl Richter die ik veel later zal aanschaffen. Het trage tempo van het openingskoor - het lijkt of het daar stokt - geeft die hele cantate een onheilspellend karakter. Mooi! Maar zo langzaam; die opening duurt daar maar liefst 8.27 minuten. Dat is bij Rilling 4.34! En dat is dan weer extreem snel, dit heeft veel weg van een gemotoriseerde begrafenis. 

Overigens hoort Nieuwkerk deze cantate live in de Noorderkerk op zaterdag 11 oktober 2003. Bladerend in het programma boekje valt de aandacht op altviolist Hein Glaubitz. Dat is een naam die toch niet zoveel voorkomt, zou het kunnen dat...... Het kan niet missen, dat moet dezelfde Hein zijn die ik ooit leer kennen in Zeeland maar dan wel in een heel, heel grijs verleden. Ik probeer iets bekends te zien in de man die hier viool speelt. Maar nee, de 18-jarige van toen en deze violist op het podium..... Ik zie het niet. En zo is ook deze gebeurtenis symbool van de voortschrijdende tijd en van het leven dat wij achter ons laten. De muziek is prachtig, ook al door de mooie akoestiek van deze kerk. 

 

Beluister hier het openingskoor van BWV 8 (Leonhardt) en wie verder wil gaan naar de volgende cantate die klikt hier naar BWV 130.

 

 

 

 





 

 



Elegie - Lyrisch stuk waarin de aangename herinnering aan hetgeen men vroeger bezat, afwisselt met treurigheid om het verlies ervan.