een andere zeer bekende cantate voor hervormingsdag

bwv 80 ein feste Burch ist unser Gott

 

Hervormingsdag is een herdenkingsdag op 31 oktober in verschillende protestantse kerken. Deze dag staat in het teken van Maarten Luther die op 31 oktober 1517 zijn 95 stellingen tegen situaties in de Rooms-katholieke Kerk zou hebben gepubliceerd. Uiteindelijk leidde het verzet van Luther tot een breuk met de Rooms-katholieke Kerk. In de 16e eeuw zijn toen de protestantse kerken ontstaan.

 

Op de hervormingsdag wordt veelal aandacht gegeven aan de centrale thema's in de prediking en de reformatie van Luther. Luther wilde de kerk uiteindelijk weer terugbrengen bij de Bijbel, Christus, de genade en het geloof. In de Rooms-katholieke Kerk van zijn dagen waren deze zaken volkomen op de achtergrond geraakt. De paus beheerste volledig de kerk. De kerk was in zijn dagen soms meer instrument voor machtspolitiek, dan middel tot verbreiding van het Evangelie van de persoon van Jezus Christus.

 

Luther is zijn verzet tegen de Rooms-katholieke Kerk begonnen met het openbaar maken van 95 stellingen tegen de aflaat. Het staat historisch gezien niet vast of hij werkelijk deze stellingen heeft aangeslagen op de deur van de Slotkapel van Wittenberg, Duitsland, zoals wel eens wordt gesteld. Luther publiceerde zijn stellingen aanvankelijk niet in het Duits (de volkstaal) maar in het Latijn (de taal van de geleerden in die dagen). Luther hoopte in theologie en kerk het gesprek over de aflaat en de verwording op gang te kunnen brengen. Als monnik en priester kreeg hij concreet met de gevolgen van de verwording te maken. Daartegen wilde hij de centrale boodschap van het Evangelie, namelijk de vergeving der zonden door het bloed en offer van Jezus Christus, weer centraal stellen. Zijn poging werd door Paus Leo X ten enenmale niet onderkend. Het heeft Luther verrast dat zijn stellingen binnen de kortste keren en over een breed front in de samenleving weerklank hebben gevonden.

 

Binnen de Lutherse kerk, wordt de reformatiedag beschouwd als een van de belangrijkste kerkelijke dagen. De zondag voor 31 oktober (of de dag zelf, als het op een zondag valt) heet Reformatiezondag.

 

 

  


De cantate ‘Gott der Herr ist Sonn und Schild’ heeft een riante bezetting; behalve strijkers en continuo twee hobo's, twee hoorns en pauken. Feestelijk is het en dat zal ongetwijfeld verband houden met het feit dat deze cantate bedoeld is voor Hervormingsdag. Er zijn aanwijzingen dat Bach, in tegenstelling tot zijn gebruikelijke praktijk, zes maanden eerder al begint te componeren aan dit werk.

 

De opening klinkt als een ceremoniële optocht, alsof wij voor ons zien een bewegend tableau van het Lutherse volk, al marcherend gaat men voort. Maar hun strijdbaarheid is zeker niet grimmig, eerder wordt een sfeer van uitbundige vreugde en van bonhomie bereikt. Als ondersteuning van die triomfantelijke fanfares van de hoorns horen we indringende paukenslagen die als we het vrij mogen interpreteren doen denken aan het hameren van de stellingen van Luther op de eiken deur van de kerk. Het is immers 31 oktober. Na 12 maten is dat weer voorbij, tijd voor de blazers om te ademen en om ruimte te maken voor geanimeerde fuga-inzetten (fugato’s) van strijkers, fluiten en hobo's. Als dan het thema van de hoorns terugkeert, het zweeft hoog boven de uitwerkingen van die fugato’s, dan is het om ons voor te bereiden op de grote entree van het koor. De stemmen komen dan één voor één binnen met een werkelijk majesteitelijke grandeur; hier heerst een glans die eerder de suggestie oproept van cherubijnen en serafijnen dan van de stevige Lutherse Hausfrauen die vandaag ongetwijfeld de kerk bevolken. 

 

‘Geen goed zal Hij onthouden aan hen die in oprechtheid wandelen.'

 

Een belangrijke boodschap in dit openingskoor. Bach heeft een buitengewone controle over zijn materiaal en er klinkt dan ook een langdurige fuga op het inmiddels vertrouwde thema. Hij maakt zes paar entrees in strettos, op de maat, vervolgens op de halve maat, soms unisono, dan weer op het octaaf, op een kwart, en zo voorts, waarna een antwoord volgt, twee maal direct en vier maal in een omkering. Gillies Whittaker, die naast het schrijven van uitgebreide analyses van Bach’s cantates, ze ook allemaal uitvoert gedurende een aantal jaren na de Eerste Wereldoorlog, bekent dat hij 'zelden zulke spirituele verrukking gevoeld heeft als bij het uitvoeren van deze prachtige koren'. 

 

Met zijn voorliefde voor grote veranderingen van schaal en abrupte schakelingen van algemene naar privé gevoelens, vervolgt Bach met een aria voor alt met hobo obbligato (2). Bedriegelijk eenvoudig klinkt het. Maar de gesyncopeerde spanning van de eerste maten en ook de steeds variërende opdeling van de zinnen, ze plagen het oor.

 

Ter begeleiding van het nu volgende koraal (3) keert de muziek van 1 terug, hoorns en pauken met hun marcherende thema, maar het zijn dit keer alleen de hoornfanfares, niet de strijdlustige fugamotieven. Ze dienen als achtergrond voor Martin Rinckart's overbekende hymne 'Nun danket alle Gott'. Een stevige melodie die in Bach’s harmonisatie dit drieluik tot een goed einde voert, mogelijk is dit het punt waarop in Leipzig de preek zal volgen.

 

Het tweede deel van de cantate is misschien minder indrukwekkend, al is er een verrukkelijk duet voor sopraan en bas (5), beginnend met een parallelle beweging in tienden, onschuldig in de manier waarop een Adam en Eva gelijkend paar (voor de zondeval) hand in hand voortgaand Gods bescherming inroepen. Zelfs horen we hier een pre-echo van Papageno en Papagena, een Mozartiaanse impressie, nog versterkt door een hint van ‘Eine kleine Nachtmusik’ in de viool ritornelli. Hoewel Bach zijn best doet om zich tegen deze muziek teweer te stellen en om gevaar te suggeren in zijn weergave van het 'razen van de vijand' blijven zijn vijanden toch een stuk minder bedreigend dan de hardnekkige, spookachtige kwelgeesten van Luther geweest moeten zijn.

 

Blijkbaar is Bach zelf tevreden over deze cantate want hij hergebruikt maar liefst drie delen voor zijn Lutherse missen. Ik maak kennis met deze muziek via Gustav Leonhardt en zijn consort en ik vind dit dan 'helemaal niet onaardig'. Soms zijn (valse) blazers zoals bij Leonhardt toch wel mooi en ook het duet na het bekende 'middenkoraal' is opvallend. Volgens Maarten 't Hart heeft dat duet, hoe anders het ook is, dezelfde lichte zwierigheid als dat uit 78. Een mooie cantate, hierna volgt BWV 110

 

 

Bronnen: Wikipedia/John Eliot Gardiner/Maarten 't Hart

 

 









 

 

 

 

Stretto - In een fuga is een stretto een gedeelte waar de diverse stemmen (de dux en/of comes) het hoofdthema versneld achter elkaar inzetten, alvorens dit thema in een stem volledig is geëxposeerd, waardoor de structuur gedrongener wordt. Dit type stretto geeft spanning, en vindt dikwijls plaats tegen het einde van de fuga alvorens de slotgroep met inzetten plaatsvindt, of juist als onderdeel van die slotgroep. Zeer vele fuga's van Johann Sebastian Bach bevatten stretti.