Monogram Johann Sebastian Bach






een andere cantate voor de tweede zondag na Trinitatis

bwv 2  Ach Gott, vom Himmel sieh darein





Qua vorm identiek aan BWV 75 en een week later geschreven. Bach moet bij zijn aantreden in Leipzig beurtelings voor de Thomaskirche en voor de Nicolaikirche gaan componeren. Dit betekent dus 2 x een debuut met een week verschil. Cantate 76 deelt met dat zusterwerk behalve de speciale vorm en de lengte, een vocale en instrumentale extravagantie waarmee de nieuwbenoemde cantor van st. Thomas zijn kwaliteiten als vakman en zijn achtergronden op theologisch gebied aan zijn toehoorders wil demonstreren.

Het is begin juni 1723, we zijn op een keerpunt in het Lutherse liturgische jaar, exact op de overgang van ‘de tijd van Christus’ (Advent tot Hemelvaart) naar ‘de tijd van de kerk’ (het tijdperk van de Drie-eenheid zonder de fysieke aanwezigheid van Christus maar onder leiding van de Heilige Geest). Niet alleen presenteert Bach zich precies op dit keerpunt aan zijn nieuwe gemeenten in Leipzig, het lijkt wel of hij met deze cantates ook een heel nieuw tijdperk in wil luiden. Zijn benadering is nieuw en ambitieus, dit is muziek die een fundamentele interpretatie wil geven, muziek die een dialoog aangaat met de kerkelijke leer. De cantate is ook duidelijk meer dan alleen maar een vervolg op die van de vorige zondag. Er is een thematische continuïteit die zich uitstrekt over deze twee weken, een overvloed aan kruisverbanden tussen de gebruikte bijbelteksten, voor de hand liggende parallellen tussen het gebod om te geven aan de hongerigen (BWV 75) en van broederliefde (BWV 76). Het is duidelijk dat er veel denkwerk en planning al heeft plaatsgevonden terwijl Bach nog in Köthen verbleef, discussies ook met de ons onbekende librettist en mogelijk met de geestelijkheid in Leipzig alvorens hij zijn stijl, toonzetting en verhaallijn van deze cantates kon uitwerken.

Na een opening met een psalmtekst, vervolgen beide cantates door te refereren aan de gelijkenis zoals die vertelt wordt in het Evangelie van die dag en door te verwijzen naar de manier waarop Jezus’ aanwezigheid op aarde een Oud Testamentische uitspraak vervuld. In het tweede deel van deze cantates worden deze thema’s in verband gebracht met de gelovige met een typisch Lutherse interpretatie van het Johannes Evangelie; er is een relatie tussen geloof en liefde, tussen liefde en goede werken. De twee parabels die hier gebruikt zijn (beiden uit Lukas) staan vol metaforen over eten en drinken; de tafel van de rijke man waar Lazarus gevallen kruimels probeert te verzamelen (BWV 75) staat tegenover het grote banket van het eeuwig leven waarvoor Christus ons uitnodigt (BWV 76).
 
Cantate 76 begint met een briljant koor met trompet, hobo's en strijkers, op basis van de openingszinnen van psalm 19. De oogverblindende fuga eerst gezongen door de solisten vervolgens door het koor overgenomen, is gebaseerd op het koraal 'Dies sind die heilige zehn Gebot', een koraal bestemd voor de zondag waarvoor deze cantate is geschreven, maar in geen enkele andere cantate gebruikt. Na een lang en expressief recitatief voor tenor en strijkers horen we de sopraan in een mooie, enigzins naïve aria met soloviool. Dan de aankondiging van de stem Gods, niet groots maar eerder als in de denkwereld van een kind. De bas spoort de mensen aan om hun boze gewoonten af te zweren, eerst in een recitatief, dan in een schitterende aria met trompet en strijkers. Het alt-recitatief gaat vooraf aan een mysterieuze en spookachtige uitgewerkte zetting van het koraal ‘Es Woll uns Gott genädig sein’.

Het tweede deel van de cantate introduceert obligaat instrumenten die we nog niet eerder gehoord hebben in Bach’s cantates. Een sinfonia gebaseerd op een eerdere orgel trio sonata heeft hij nu bewerkt voor hobo d'amore en viola da gamba. Na een paranoïde, wrede tenor-aria met continuobegeleiding keren we terug naar de obligaat instrumenten die hier dienen als ondersteuning van een werkelijk hemelse alt-aria. Waarna een herhaling van het koraal volgt als afsluiting van dit tweede deel.  

Cantate 76 is opnieuw een zeer uitgebreide 2-delige cantate bestaande uit maar liefst 14 onderdelen, met een uitgesproken ‘veeleisend’ beginkoor, een sinfonia als opening voor het tweede deel, aan het slot een koraal, dit keer met een begeleiding van obligate instrumenten. Qua bezetting wordt er veel gevraagd; een solistenkwartet, een koor, een zeer breed scala aan instrumentale solisten. Alles is dermate identhiek aan wat Bach een week eerder aan het papier toevertrouwt dat dit geen toeval kan zijn. Het is twee maal een artistieke staalkaart en het is voor Bach ook een manier om aan te geven dat de beide kerken waar hij zal werken voor hem even belangrijk zijn. Mischien heeft dat streven van de componist zozeer de overhand dat de zeggingskracht daar wat onder lijdt. Hoe dan ook is deze cantate wat mij betreft niet direct overtuigend, zeker niet als de kennismaking verloopt via Harnoncourt. Het koor (opnieuw het Tölzer Knabenchor) komt met horten en stoten op gang, de trompetjes stemmen tot weinig vreugde, vervolgens horen we geen enkele mooie aria. Maar wellicht is het deze 'authentieke opname' die het oordeel nogal negatief beïnvloed, wie later de Werner versie hoort die moet gaan nuanceren. Nu pas hoor je hoe mooi die sopraan-aria eigenlijk is. De Scherchen-opname uit 1951 biedt naast een uitgebreidere rol voor het solistenkwartet (de bas zet de opening in) een werkelijk buitengewoon archaïsche wijze van zingen die je vrijwel nergens op cd aantreft. Wat een gezwollen pathos treffen we hier aan, met name bij de mannen. Daarom alleen al een bijzonder bezit, deze cd. 

De volgende cantate is BWV 24 'Ein ungefärbt Gemüte'.

 

 


 

 

 

 

Thomaskirche