Monogram Johann Sebastian Bach








ook voor de eerste zondag na Trinitatis  bwv 20 o Ewigkeit, du Donnerwort

bwv 39 bring den Hungrigen dein Brot








Het is nu precies een week nadat Bach met zijn gezin in twee koetsjes en met vier wagens huisraad naar Leipzig is verhuisd. Zijn aanstelling als Thomaskantor gaat in op 1 juni 1723. En BWV 75 is Bach's 'debuutcantate' in deze stad, een cantate met een bescheiden bezetting maar wel met een feestelijke trompetpartij in deel II. Blijkbaar is de roem van de Stadtpfeifer Gottfried Reiche hem tot in Köthen vooruitgesneld. Immers, geschreven op papier wat niet afkomstig is uit Leipzig is het wel zeker dat Bach begonnen is met de compositie in de weken voor zijn aanstelling als hij nog in Köthen woont. Applaus klinkt er niet in de kerk, dat zou niet passend zijn, maar waardering middels recencies in de plaatselijke pers is er wel voor de eerste cantate die de nieuwbakken, 38-jarige Thomaskantor zijn publiek in de Nicolaikirche op 30 mei voorschotelt. Waardering is er wel maar geen buitensporig enthousiasme voor de ‘Antrittskantate’ van deze niet-academisch gevormde Bach die als derde keus uit de solliciatieprocedure is overgebleven. 


Bach’s visitekaartje is in ieder geval qua omvang imponerend; een cantate in twee delen, respectievelijk uit te voeren voor en na de preek, elk deel bestaande uit zeven stukken. Een week later zal hij die omvang, bij zijn entree in de Thomaskirche, evenaren en daarna nooit weer. Ook de architectuur van de cantate valt op; twee gelijkwaardige delen eindigend met dezelfde koraalfantasie, ieder met twee aria’s en drie recitatieven. Alle solisten worden diplomatiek naar evenredigheid bedeeld. Het totale aantal stukken - 14 - is beslist geen toeval. Dit is opnieuw een voorbeeld van Bach’s getallensymboliek. Immers, 14 is de som van de rangnummers van de letters B,A,C en H in het numerieke alfabet (zie BWV 37) en het is bekend dat Bach het als symbool voor zichzelf kent en het ook als zijn ‘handtekening’ gebruikt. 


Het debuut van Bach in Leipzig getuigt van degelijkheid en voorzichtigheid. Geen verontrustende experimenten, niets van dat al. Bach toont zich stilistisch nogal conventioneel en laat zich in zijn gebruik van franse dansvormen kennen als voormalig hofcomponist. Zo begint hij het werk met een franse ouverture in een langzame 3/4 maat met daarin een hobosolo die retorische versieringen speelt die sterk verwant zijn aan Handels concerti grossi opus 3. Het koor verkondigt: ‘De ellendigen zullen eten zodat ze voldaan zijn’ . Het klinkt alles majesteitelijk, met pathos en met passende ernst. Het is volledig in balans met de nu volgende zeer levendige fuga ingezet door vier solostemmen ‘Euer Herz soll ewig leben’ met een breed uitgesponnen nadruk op ‘ewig’ en levendige melisma’s op ‘Leben’. Het is duidelijk; Bach etaleert hier zijn compositorische palet. 


De aria’s die volgen zijn in de stijl van een franse dans-suite; een tenoraria (3) als een polonaise, een sopraan-aria (5) met een oboe d’amore als een menuet, een alt-aria (10) met violen als een feestelijke passepied en een brilliante bas aria (12) met trompet als een gigue. Elke helft van Bach’s cantate eindigt met een presentatie van een van zijn meest geliefde hymnes 'Was Gott tut das ist wohlgetan' afgezet tegen een ‘catchy’ ritornello dat schreeuwt om een ‘franse’ behandeling. 


Maar er is meer in deze cantate dan alleen maar vertoon. In het openingsdeel benadrukt Bach niet slechts de verschillen tussen arm en rijk maar tevens het idee dat prioriteiten kunnen wijzigen bij de overgang van aarde naar hemel. In het tweede deel van de cantate belicht hij het contrast tussen armoede en rijkdom en brengt het vervolgens op een meer spiritueel niveau. De alt zingt ‘Jezus maakt mij rijk van geest’ waarop de bas daar aan toevoegt dat het individu de geest kan herkennen in de zoetheid van de liefde. 


Is het ook mooie muziek? Mijn eerste indruk na het beluisteren van de Leonhardt-uitvoering is negatief; dit is veel te lang. Als hij nu eens de helft geschrapt had dan was dit misschien een heel aardige cantate geworden. 'Ich nehme mein Leiden mit Freuen auf mich' zingt het kind (de sopraan) daar bij Leonhardt. Tsja, het is toch wel uit een heel andere wereld allemaal. Maar direkt daarna volgt dan weer een van de mooiste slotkoralen die we van Bach kennen. Een ‘catchy’ koraal, zoals Gardiner het noemt en dat is echt het goede woord. Catchy! Zeer snel bij Gardiner, het mooist bij Leonhardt. De tenoraria is ook mooi. 


Maar de allermooiste uitvoering valt live te beluisteren op 20 mei 2006 in de Oude Lutherse Kerk te Amsterdam. Samen met Ben Westers hoor ik een enthousiaste uitvoering door ‘Barokensemble de Swaen’. Nu valt pas op hoe mooi de orkestpartij aan het eind van de tenoraria gaat moduleren naar hogere regionen. En in deel II treedt - bespeeld vanaf de preekstoel - een ‘hemelse trompet’ aan die in het kader van materiele rijkdom en armoede (deel I) nog niets te zoeken had. Maar hier wel want het gaat inmiddels, na een preek van een uur, over geestelijke rijkdom en we zijn het aardse ontstegen. Het is een opmerkelijke partij, de koraalmelodie die herinnert aan het slot van deel I, nu in een zuiver instrumentale koraalbewerking. Dat is een unicum in Bach’s oeuvre, ze meldt ons de toelichting. Ben vindt het ook mooi. 






Beluister een 'catchy choral' door Yo Yo Mah en/of ga verder naar BWV 76 'Die Himmel erzählen die Ehre Gottes'. Deze volgt (dit keer ook chronologisch) op 75.


Nikolaikirche in Leipzig, Säule mit Gewölbe (Foto: Cethegus)