andere cantates voor de derde zondag na Driekoningen

 bwv 72 alles nur nach Gottes Willen

bwv 111 was mein Gott will, das gscheh allzeit

bwv 156 ich steh mit einem Fuß im Grabe



In Leipzig is de ochtend van de derde Zondag na Driekoningen onvermijdelijk kil. Voor de - in de dagen van Bach - 27000 inwoners van de stad wordt de stilte van de donkere ochtend verbroken als om 5.30 uur de klok van de St. Nicolai zich aandient. Ondanks de winterse temperatuur van eind januari zal de stad nu snel tot leven komen dankzij het antwoord hierop van andere torenklokken en door het aanhoudende gedruis van gelovigen die zich naar de kerk begeven. 

Als dan om 7 uur de klok opnieuw slaat staan de koorknapen op hun plaats en de dienst begint. Het is al bijna 8 uur als na de verschillende bijbellezingen, slechts onderbroken door een hymne te zingen door de gemeente, een cantate volgt. Die cantate dient als een muzikale voorbereiding op de boodschap van de priester. Op bijzonder koude dagen mag het koor tijdens die preek de kerk verlaten. Als concessie aan de bevriezende musici en de toehoorders schrijft Bach voor de wintermaanden cantates die vergelijkenderwijs tamelijk kort zijn. BWV 73 is er zo één.

 

In Amsterdam worden de cantates meestal ‘s avonds uitgevoerd. En als ik naar de Westerkerk ga om BWV 73 te horen is dat op een regenachtige zondagavond in januari. Ik woon hier nog maar net. Eerst wat eten in bij de Italiaan, vervolgens de preek van ds. Oosterwijk. Max van Egmont zingt in het koor. Ik zit pal naast de dirigent. Een diep ontroerend beginkoor klinkt op, hobo's. Hierbij de tekst van het begeleidende boekje. 

 

"Het openingskoor behelst het eerste couplet van een koraal van Kaspar Bienemann, onderbroken door recitatieven van tenor, bas en sopraan. Bach legt aan de basis van dit deel een muzikaal motief, bestaande uit de eerste vier noten van het koraal: bes-bes-g-bes: 'Herr, wie du willt'. Al in de tweede maat komt dit motief te voorschijn in het orkest en het keert voortdurend terug. Bij het naspel vult het koor dit motief in met een drievoudig 'Herr, wie du willt'. De tenoraria met begeleidingvan hobo en continuo is blijmoedig van karakter en bevat, zoals zo vaak bij Bach, uitgebreide coloraturen op het woord 'Freuden'. Een kort recitatief voor de bas met enkele opmerkelijke harmonieën gaat zonder onderbreking over in wat men zou kunnen noemen het motto van de volgende bas-aria, 'Herr, wie du willt'. De tekst van deze aria bestaat uit drie vierregelige strofen, die allen beginnen met een drie maal herhaald 'Herr, wie du willt'. Bij de derde strofe, waar de "Leichenglocken", door Bach verklankt door pizzicati van de strijkers, aan de orde komen, moduleert Bach naar As, omdat de doodsklok van de Thomaskerk die toon als grondtoon heeft. Een vierstemmig koraal sluit de cantate af". 

 

Aanvankelijk ben ik niet weg van deze cantate. Ik vind het een nogal curieus-pretentieus stuk met daarin hooguit één memorabel fragment: dat zeer vervreemdende effect in de basaria met de pizzicati. Tot ik die bewuste avond naar de Westerkerk ga. En als ik nog later de versie van John Elliot Gardiner hoor. Die maakt hier heel wat van. Zelden zal je in een tijdsbestek van 12 minuten zoveel spannende welhaast opera-achtige kerkmuziek aantreffen. En hier is die bas-aria zo zacht-fluisterend gezongen, zo bijna alsof de woorden speciaal voor jouw bestemd zijn, onvoorstelbaar is het. En het speciale effect als hij over de Leichenglocken zingt is onnavolgbaar. 

 





verder met cantate 81 >>  de cantates  de cantates  de cantates de cant