andere cantates voor de derde zondag na Driekoningen

 bwv 73 Herr, wie du willt

bwv 111 was mein Gott will, das gscheh allzeit

bwv 156 ich steh mit einem Fuß im Grabe


Sinds Bach in Leipzig woont heeft hij zijn - voor hem natuurlijke - vechtlust wat onderdrukt maar er dienen zich in deze periode toch wat onprettige moeilijkheden met de autoriteiten aan. Hij komt er niet uit, realiseert zich dat hij met een politiek verdeeld bestuur te maken heeft die maar geen beslissing neemt en hij besluit zich uiteindelijk rechtstreeks tot de koning van Saksen te wenden die hem tenslotte gekozen heeft op deze post. Het betreft Bach’s werkzaamheden bij de Universiteits Kerk. Het gaat over de muzikale directie, het gaat ook over de betaling voor zijn diensten. Drie brieven heeft hij inmiddels geschreven aan koning Frederik Augustus van Saksen, met vele details over de betreffende issues. Het antwoord van de koning, gedateerd 21 januari 1726, heeft Bach hoogstwaarschijnlijk nog niet bereikt als hij ‘Alles nur nach Gottes willen’ componeert voor de uitvoering op 27 januari. In Weimar, zo’n 10 jaar eerder heeft Bach vele inspirerende uren doorgebracht met de oudere hofdichter Salomo Franck. Franck is in juni 1725 gestorven en nu Bach, zes maanden later, hier zit om zijn wekelijkse cantate voor te bereiden is het niet verbazingwekkend dat hij onder deze omstandigheden verlangt naar de troostende aanwezigheid van een wijze vriend. Hij pakt van zijn plank een kopie van Franck’s ‘Evangelisches Andachts Opfer’ (1715) en mogelijk ook nog een cantate die hij eerder in Weimar heeft geschreven. Het is een passende spirituele excercitie voor Bach om nu nog eens opnieuw de bijbelse wijsheden van Franck’s teksten onder ogen te zien; mogelijk leidt het hem wel naar het gezelschap van weer een andere Vriend en Inspirator.


Cantate 72 volgt op de voet de evangelietekst voor deze derde zondag na Driekoningen, Mattheus 8:1-13, waarin een melaatse aan Jezus vraagt ‘Heer, als gij het wilt kunt gij mij genezen'? Waarop Jezus zijn hand uitstrekt en zegt 'Ik wil het, wordt rein.'


Het gaat dus over Gods almacht, en de titel van de cantate luidt dan ook Alles nur nach Gottes Willen. In het openingskoor ligt het accent dan ook op het woord ‘Alles’. Dat wordt in vrijwel elke maat uitgedrukt met een oktaafsprong in de bassen (celli, fagot, contrabas, zanger). Het oktaaf representeert immers het tonale universum, het omvat alle mogelijke tonen. En het koor onderstreept dat met werkelijk een opeenstapeling van snelle zestiende nootjes: meer kan echt niet. Het middendeel ‘Gottes Willen soll mich stillen’ wordt dan, met een verstilde begeleiding, canonisch gezongen. 


Na deze inleiding door het collectief is dan vervolgens het woord aan het individu, de alt. Ingebed in haar recitatief (2) ligt een arioso waarin Gods almacht breed wordt uitgemeten door een, als in een litanie, maar liefst negenvoudige herhaling van de 'tekst-van-de-dag' 


‘Herr, so du willt.’ 


Zonder onderbreking volgt hierop haar aria (3), waarin de alt direct de volledige tekst eenmaal zingt, nog voordat de gebruikelijke instrumentale inleiding heeft geklonken: een onverwacht snelle overgang, waarschijnlijk omdat Bach meent dat 'dies Wort' uit de laatste recitatief-zin betrekking heeft op de daarop volgende (in plaats van de voorafgaande) woorden. Het gaat verder in deze cantate vrijwel voortdurend over Gods wil, over zijn almacht en of Hij daarvan gebruik zal maken. 


‘Herr, so du willt.’ 


Pas in het bas-recitatief (4) treedt een wending op wanneer de Heer nu ongeclausuleerd zegt 'Ik wil het'. Dat vormt de basis voor die opgewekte zekerheid die we horen in de sopraan aria Mein Jesus will es tun’ (5). Als het afsluitende instrumentale ritornel al voorbij is scandeert de sopraan nog eens ten overvloede deze tekst waar haar hart vol van is.


Het slot-koraal ‘Was mein Gott will, das g'scheh allzeit’ is vervolgens een goed gekozen afsluiting van deze cantate en het past uitstekend bij de evangelie-tekst van deze dag. Tekst en melodie komen ons bekend voor, dit horen we immers ook in de Matthäus-Passion. Maar ook al zijn tekst en melodie dezelfde, Bachs harmoniseringen zijn altijd weer anders.


Wat te zeggen van deze cantate waar slechts weinig deskundigen aandacht aan besteden. Ik ben niet zo enthousiast over dit geheel. Daar is weer die vreugdeloze 'gebiedende toon' die meer openingskoren kenmerkt, een ‘overladen’ stuk. Ook verder wat minder geïnspireerde muziek waarbij wellicht bij wijze van hoogtepunt de sopraanaria kan gelden. Bij John Eliot Gardiner lijkt die sopraan zich wel haast dansend voorwaarts te bewegen en ook bij Werner is dit - op weer heel andere wijze - een mooie aria.


Op 6 februrari 2011 is daar de Nederlandse Bach Vereniging, dit keer onder leiding van de oude Gustav Leonhardt. Tesamen met twee andere cantates horen we BWV 72. Het optreden vindt plaats in het muziekgebouw te Amsterdam en jawel, ik ben er bij en het is mooi.





de volgende cantate is nr 146 'wir müssen durch viel Trübsal'>>