Monogram Johann Sebastian Bach






 








 

 


"Wij, leden van de gemeenteraad te Mühlhausen, stellen u voor om de heer Adolf Strecker, die reeds sinds zijn 71ste jaar alhier het ambt van burgemeester bekleedt, ondanks zijn vergevorderde leeftijd, wegens gebleken bekwaamheid voor deze belangrijke taak, nogmaals te benoemen tot onze burgemeester".

Nee, we zij dit keer nu eens niet in de kerk, plaats van handeling is dit keer het stadhuis. Een tekst als deze moet zijn uitgesproken bij de installatie van de nieuwe gemeenteraad van Mühlhausen op 4 februari 1708. Voor een goed begrip van deze wereldlijke cantate is deze informatie onmisbaar, zoals we straks zullen zien. Daarnaast is het belangrijk om ons te realiseren dat de overheid volgens Rom. 13 (en op vele andere Bijbelplaatsen komt dat terug) gezien moet worden als een verlengstuk van Gods regering over deze wereld. In onze huidige democratie zijn de opvattingen hierover nogal veranderd, maar voor Bach is dit de normale realiteit. In een 'wereldlijke cantate' als deze vinden we dan ook bepaald geen 'wereldlijke' tekst, maar veeleer een openlijke belijdenis van een door en door bijbelse waarheid: 

 

‘Gott ist mein König’

 

De tekst is afkomstig uit Psalm 74 vers 12 (God is mijn koning van oudsher, die in het midden der aarde verlossing bewerkt). Meer teksten in deze cantate zijn afkomstig uit deze psalm, nl. vers 16 ‘Uwer is de dag, Uwer is ook de nacht; U bent het, die hemellicht en zon hebt gesteld. U bent het, die al de grenzen der aarde hebt bepaald’ en vers 19 ‘Lever de ziel van uw tortelduif niet over aan de vijand’. Behalve teksten uit deze psalm horen we ook citaten uit 2 Samuel 19, waar een 80-jarige Barzillai, dienaar van koning David, van zichzelf zegt dat hij nu toch echt te oud is om met de koning mee te gaan. Hij zou de koning maar tot last zijn en wil liever sterven in zijn eigen stad en bij zijn vader en moeder begraven worden. Tenslotte klinkt er nog een citaat uit Gen. 21 vers 22 ‘God is met u in alles wat u doet’, een constatering van koning Abimelech betreffende de dan reeds 100-jarige Abraham. We horen in deze cantate dus uitsluitend bijbelteksten waarin de betrekkingen tot een koning worden omschreven.

Het openingskoor beschrijft de regering van God, waarbij opvalt dat alle koren, instrumentaal en vocaal, apart behandeld worden. Dit is een fraaie illustratie van de reikwijdte van Gods bestuur, niet slechts over de kerk gaat Hij, of alleen over de kerkelijke activiteiten, maar over de hele aarde, ook over het stadsbestuur van Mühlhausen. Er zijn immers geen overheden dan van God. Bovendien kunnen we hierin een persoonlijke belijdenis van Bach zien, die over het stadsbestuur heen verder kijkt en zich bewust is van Gods koningsschap over zijn eigen leven. Bach is nog jong als hij dit schrijft, hij is 23 jaar. Maar de heer Strecker, burgemeester van Mühlhausen, is inmiddels 83 en hij is het dan ook die door Bach zingend ten tonele gevoerd wordt in deel 2 met de woorden: Ich bin nun achtzig Jahr. In deze aria klinkt tegelijk een couplet uit het lied 'O Gott, du frommer Gott’. De woorden van de burgemeester zijn nogal bescheiden en hij is bepaald niet ambitieus te noemen. Toch lijkt Bach te willen benadrukken dat juist deze oude man een zeer geschikte burgemeester is met veel levenservaring.

Dan volgt in deel 3 een bemoediging door het koor met de woorden van Abimelech ‘dein Alter sei wie deine Jugend und Gott ist mit dir in allem das du tust’. Bach gebruikt hiervoor een zeer levendige fuga, te zingen door de 4 solozangers, waarmee opnieuw de bekwaamheid van Herr Strecker benadrukt wordt. 

Deel 4, gezongen door de bassolist, bespreekt hoe onze houding zou moeten zijn t.o.v. Gods bestuur: hij erkent hier met de woorden uit psalm 74 dat het God is die de grenzen vaststelt, of dat nu in de natuur is of in het landsbestuur.

 

Het geloof in Gods almacht en de gunstige uitwerking daarvan wordt verder beleden in deel 5: ‘Durch mächtige Kraft’. Trompetten en pauken onderstrepen de kracht en de koninklijke waardigheid die verbonden zijn met Gods regering.

 

En dan komt het volk aan het woord in deel 6, dat met een tekst uit Psalm 74 zijn vertrouwen uitspreekt in Gods bescherming. De kwetsbare duif staat hier model voor het volk, dat in deze psalm overdenkt dat het onderdrukt wordt door de vijand, terwijl de tempel verwoest is. Het is geen toeval dat juist in moeilijke omstandigheden zulke geloofsuitspraken worden gedaan. Bach heeft het belang hiervan goed aangevoeld en een intense muzikale omlijsting van de tekst gecomponeerd, waarmee de gevoelens uit Psalm 74 treffend worden onderstreept.

 

De cantate eindigt met een uitbundige gelukwens aan de nieuwe gemeenteraad, das neue Regiment, en ook aan het hoogste gezag: Keizer Joseph I (1678-1711).

 

Deze cantate is in diverse opzichten bijzonder. Het is één van de eerste cantates van de 23-jarige Bach, ze is niet bestemd voor een kerkdienst en het is de enige cantate die tijdens zijn leven, nl. direct na de uitvoering in druk wordt uitgegeven, op kosten van de gemeenteraad van Mühlhausen. De indruk die de jonge Bach er mee maakt is zo groot, dat de raad voor het volgende jaar ook een cantate laat componeren, waarvan helaas ieder spoor ontbreekt.

Dat deze cantate ‘anders’ is valt bij eerste beluistering direct op. Ik noem hem als ik hem voor het eerst hoor ‘opera-achtig, vol van contrasten, verhalend, on-kerks’. En voor Bach’s doen zijn de onderdelen nogal kort. Een openingskoor van 1.50 minuten, waar tref je dat verder aan? Dit is eigenlijk niet te vergelijken met wat hij later zal gaan doen. Maarten noemt het duivenkoor (het voorlaatste deel is dat) een geweldig werk, hoe Bach zich later ook ontwikkelt, iets dergelijks heeft hij nooit meer gemaakt. 

 

 

 

Bovenstaand artikel is - de aandachtige lezer heeft het misschien gemerkt - niet van mijn hand want ik heb toch iets minder affiniteit met deze cantate. Daarom integraal deze bespreking door Henk van Zonneveld

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


    verder met cantate 196 >>  de cantates de cantates de cantates de cantates de c