
andere cantates voor de twaalfde zondag na Trinitatis
bwv 35 Geist und Seele wird verwirret
bwv 137 lobe den Herren, den mächtigen König der Ehren
De kerkcantate BWV 69A ‘Lobe den Herrn, meine Seele’, die later nieuw leven ingeblazen zal worden ter gelegenheid van verkiezingen voor de gemeenteraad, is een grootschalig, zeer vrij gecomponeerd stuk. Bach is duidelijk in jubelstemming als hij dit schrijft. Hij beschikt over een uitgebreid orkest en hij profiteert van alles wat hij in zijn muzikale kleurpalet tot zijn beschikking heeft; er zijn houtblazers, er is koper, er zijn strijkers. Plus alle interne subdivisies binnen die groepen.
De opening is zoals gewoonlijk het belangrijkste deel van de cantate. Typerend voor deze fantasie is de manier waarop twee tamelijk onschuldig klinkende maten met trillend opstijgende figuurtjes de weg banen voor een uitbundig jubelend motief van twee korte, herhaalde noten op de tweede slag van een 3/4 maat. Het klinkt tegelijkertijd zowel euforisch als idillisch, het is werkelijk volledig passend bij de tekst van psalm 103;
'Lobe den Hernn, meine Seele'
Dit is het soort van koor dat ons bewust maakt hoe dun de scheidslijn is (als die al bestaat) tussen Bach’s religieuze muziek en wat hij schrijft voor de meer aardse feesten; de verjaardagsodes, of zelfs de meezingnummers (quodlibets heten die in Bach’s tijd) voor de familie op de jaarlijkse partijtjes.
Het eerste fugato van het koor begint met een draaimolen-achtige variant op die trillers in de opening, die zich dan verder plooit naar een lyrisch slot. Het tweede is van zichzelf al lyrisch, langere noten die lijken te dralen, naar pathos neigen bij ‘Vergiss nicht’.
Maar het beste moet nog komen. Bach combineert die beide fuga’s en de muziek krijgt op dat moment een vliegende start, vol gas vooruit. De eerste trompet schettert dat eerste thema, bovenop die fanfare-achtige tussenwerpingen van het lage koper en een stijgend thema voor de sopranen en tenoren. Dit alles garandeert, zoals dat alleen bij Bach kan gebeuren, dat al onze emotionele knoppen juist op dit moment worden ingedrukt om met deze ingreep en vol ritmisch elan bij ons binnen te dringen en onze geest op te tillen.
Maar de vraag is òf je wel iets kunt zeggen over deze muziek. Het ontleden van alle bestanddelen en de ontwikkeling van die fuga, allen terug te voeren op motieven die we al gehoord hebben in het voorspel van het orkest. Achterhalen hoe de verdeling is tussen de verschillende groepen die aan het woord zijn; het koor, de drie partijen in het orkest. Nee, het is niet mogelijk om iets te definiëren, laat staan zich eigen te maken van Bach’s vindingen. Van de manier waarop hij voortdurend verrassingen biedt en dan toch alle componenten uiteindelijk foutloos bijeen weeft. We moeten het niet proberen.
De eerste aria (van de tenor) maakt indruk door de prachtige verwevenheid van die drie verschillende houtblazers (blokfuit, oboe da caccia en fagot) de tweede (van de bas) door de volkomen natuurlijkheid waarmee de woorden met de muziek samengaan. Als we die tekst eens hardop gaan zeggen ‘mein Erlöser und Erhalter, nimm mich stets in Hut und Wacht’ dan weten we onmiddelijk waarom Bach voor een 3/4 en 9/8 ritmisch patroon kiest, dit is als vanzelfsprekend een sarabande met z’n frans gepuncteerde ritmes.
Het slotkoraal is overgenomen uit de Weimar cantate BWV 12, maar vreemd genoeg is het ontdaan van zijn expressieve discant (de hoge tonen). Een niet goed te verklaren ingreep van JSB.
John Elliot Gardiner is lyrisch over deze cantate. We lezen dat in het begeleidende boekwerkje, we horen dat ook in zijn uitvoering. De tenoraria is heel mooi bij hem en ik moet dus Christoph Genz ook maar even noemen. Prachtig is ook de koor, de opening met die solistische partijen daarin.
Maarten noemt juist de bas-aria een juweel door z'n wonderlijke ritme.
En dan het tekstboekje bij de Harnoncourt opname. Daar is Ludwig Finscher aan het woord. Hij meldt dat cantate 69 (uit het jaar 1748) hoogstwaarschijnlijk de laatste cantate composities van Bach bevat die behouden zijn gebleven: de recitatieven 2 en 4 en de finale. De overige delen neemt Bach uit zijn eerdere cantate (69A) uit 1723, zijn eerste jaar in Leipzig. Die 69A is dus het origineel maar dat was in 1850 toen de BWV-indeling tot stand kwam nog niet bekend. Harnoncourt heeft de originele versie in zijn totaliteit achter elkaar gezet (69A dus) en hij zet, gek genoeg, de nieuw gecomponeerde recitatieven en de voor alt getransponeerde tenoraria 'Meine Seele, auf erzahle' apart, ervòòr in plaats van erna. Erg verwarrend allemaal en wat mij betreft had hij zich de moeite kunnen besparen. Alle solisten (zeker Kurt Equiluz) komen redelijk larmoyant naar voren in deze opname. En het door Gardiner zo enthousiast beschreven openingskoor? Neen, op deze manier hoeft het echt niet. Ik weet zeker dat Nikolaus dat op dit moment met me eens zal zijn. Luistert U allen naar Gardiner alstublieft!
Dat kan overigens hier.
Woordenlijst:
Quodlibet - Men gebruikt de uitdrukking quodlibet na de middeleeuwen als term voor potpourri's, medley's en andere vormen van muzikale improvisatie. Een mooi voorbeeld van wat een Nederlands quodlibet uit de Renaissance kan zijn, is het anonieme lied 'Myn morken gaf my een jonckwijff', uit het liedboek van Hieronymus Lauweryn van Watervliet (ca. 1505), dat een aantal beginverzen van Nederlandse liederen bevat.
hierna volgt BWV 77 >> de cantates de cantates de cantates de cantates cant ![]()