andere cantates voor de tweede pinksterdag

bwv 174 ich liebe den Höchsten von ganzem Gemüte

bwv 173 erhöhtes Fleisch und Blut


We zijn aan het slot van de eerste helft van het kerkelijk jaar, het verhaal van Jezus’ leven is nu uitgebreid behandeld aan de hand van de vele feesten die hiervan verslag doen. Straks zal met Trinitatis (de zondag na Pinksteren) de tweede helft van het kerkelijk jaar aanbreken. Geen feesten meer.


In deze cantate zijn er herhaaldelijk verwijzingen naar de geboorte van Christus en we zouden kunnen denken dat dit eerder een Advents- of Kerstcantate is i.p.v. muziek voor Tweede Pinksterdag. Maar er is blijkbaar behoefte aan een evaluatie van Jezus' rondgang op aarde, juist als we daarvan afscheid nemen. 


Het openingskoor is ook nu gebaseerd op een koraal, dit keer afkomstig uit het ‘Neu Leipziger Gesangbuch’ van 1682 waaraan Bach doorgaans zijn koralen ontleent. Maar zijn bewerking hiervan is veel vrijer dan gewoonlijk; de sopraanpartij zingt de koraalmelodie niet - als gebruikelijk - in lange noten maar bijna onherkenbaar gedecoreerd. De drie overige stemmen illustreren allerlei specifieke woorden: lange noten op 'bleibet ewig', dramatische stiltes bij 'unverloren' en pijnlijke chromatiek op 'Leid' en 'betrübt'.De strijkers en hobo's mogen hier zorgen voor een vredige achtergrond op een lieflijk wiegend siciliano-ritme. 

 

En dan, net als de dag hiervoor (BWV 74) grijpt Bach terug op eerder werk. Want de muziek van de beide aria's ontleent hij aan zijn in Weimar geschreven Jagdkantate 'Was mir behagt, ist nur die muntre Jagd' (BWV 208), huldigingsmuziek voor de verjaardag van hertog Christian von Sachsen-Weißenfels. Hij besluit deze 12 jaar oude muziek opnieuw te gebruiken. Maar hij doet dat pas nadat hij Mariane von Zieglers teksten heeft ontvangen. Moeilijk, moeilijk, want zowel het metrum als ook de versvorm uit die oude aria’s komt totaal niet overeen met de tekst. Zo moet Bach in de sopraan aria nogal drastische ingrepen doen om de lofprijzingen aan wereldse heren om te zetten in lofprijzingen aan de Allerhoogste. Niemand weet hoe mevrouw von Ziegler over deze ingrepen dacht. Maar duidelijk is wel dat het opnieuw gebruiken van deze muziek voor Bach zo belangrijk is dat hij al dit tekstueel niet zo geslaagde pas- en meetwerk er voor over heeft. Begrijpelijk, het is een heerlijk en ongetwijfeld in potentie  populair stuk met die violoncello piccolo als solo-instrument in een ultieme glansrol. De violoncello piccolo en de sopraan vervolgen op een bepaald moment ieder hun eigen weg en zelfs ritmisch gaan ze dan hun eigen gang: een zelfde vierkwartsmaat interpreteert de violoncello als een gavotte (een rustige 4/4) maar de sopraan maakt er een bourrée van (een snelle 2/2). Dat werkt blijkbaar zo aanstekelijk dat viool en hobo zich uiteindelijk bij hen aansluiten en de aria eindigt in een heerlijk instrumentaal stuk, zo lang dat het lijkt alsof de woorden van de zanger hier tekortschieten om de grote vreugde van de komst van de Heilige Geest uit te drukken.


Ook de bas aria is afkomstig uit de Jachtcantate. Die is daar gewijd aan de natuur- en herdersgod Pan. De begeleiding is dan ook toevertrouwd aan pastorale klanken van een hobotrio. Von Ziegler weet dat niet, haar tekst geeft dan ook geen enkele aanleiding voor een dergelijke bijzondere instrumentatie. Het is gewoon een heerlijk, ongecompliceerd stuk muziek, erg in de mode door de moderne galante stijl, zeer begrijpelijk dat Bach dit niet op de plank laat rusten. Maar het heeft werkelijk niets van doen met de koorfuga die hierna volgt, geschreven in een zeer antieke motetstijl. Het gaat hier over het laatste oordeel, en de toonzetting moet dus wel ernstig zijn; geen zelfstandige partijen voor de instrumentalisten, zij volgen slechts colla parte de vocale stemmen. En om het archaïsche karakter nog wat aan te scherpen voegt Bach nog een traditioneel blazerskwartet toe (een Posaunenchor). Bijzonder is, dat Bach hier, dat doet hij anders nooit, een aanwijzing geeft voor de uitvoering. Er staat een p (piano, d.w.z. zachtjes); het einde mag niet juichend zijn, eerder bedachtzaam. Zo mist dan deze cantate het gebruikelijke slotkoraal, een zeldzaamheid. 


Ondanks alle loftuitingen betreffende de koorwerken in deze cantate vind ik die aanvankelijk saai. En toch, Maarten typeert het openingskoor (‘swingend’ zegt hij) nu juist als Bach op z'n best. De manier waarop het koraal verstopt zit in het openingskoor, vrijwel onherkenbaar. De prachtige aria van de (jongens)sopraan met een zoevende picolo cello en hobo, ja, die vinden we natuurlijk direct mooi. Ik reken hem tot de pronkjuwelen


Maarten:


"Als de sopraan in die jachtcantate uitgezongen is laat hij de instrumenten nog een flink tijdje door musiceren. Zo meeslepend dat het lijkt of alle instrumenten op hol slaan, alsof de spelers, als door een roes bevangen, voor altijd door zullen strijken en blazen. Maar ook in geconcentreerde vorm, als sopraan aria uit 68 is 't zulke verrukkelijke muziek. Zo monter, zo levenslustig, zo gelukkig. 'Door frisheid betoverde melodie'  zegt Vestdijk. Akkoord, helemaal waar maar wat vooral treft is die erin uitgezongen hartveroverende, onbekommerde blijdschap."


Over de versie o.l.v. Fritz Werner ben ik nogal verschillend in mijn oordeel. Ik betitel hem eerst als de winnende versie en later vind ik hem amateuristisch en van slechte opnamekwaliteit. Dan is juist de jongensopraan bij Harnoncourt weer zo ontroerend mooi in al z’n naïviteit. Bij Gardiner noem ik de sopraan gejaagd, maar 'mooi-gejaagd' (als dat tweeslachtig klinkt dan kan dat kloppen).


















beluister hier Peter Jelosits, jongenssopraan>>

en volgens de chronologie komt hierna cantate 175>>