andere cantate voor Driekoningen

liebster Immanuel, Herzog der Frommen BWV 123




Een vloed van kamelen zal je land overspoelen,
jonge kamelen uit Midjan en Efa.
Uit Saba komen ze in groten getale,
beladen met wierook en goud.
Zij verkondigen de roemrijke daden van de HEER. 


(Jesaja 60 vs 6) 

Uit muzikaal oogpunt is dit toch wel hét prototype van de kerstcantate: uitbundig, feestelijk, en met een dansant karakter. Het grote openingskoor schildert in een voor kerstmuziek typerende 12/8 maat de drie koningen. Ze komen op hun kamelen vanaf Saba om de pasgeboren baby te bezoeken en om hun geschenken aan te bieden. De muziek portretteert ze eerst in een krachtige canon in crescendo, daarna in koraalfuga’s, opbouwend naar het volledige ritornello uit het begin. Er wordt een beeld opgeroepen van een zich verzamelende menigte, men ziet een rijkdom die oogverblindend is. Albert Schweitzer merkt hierover op dat men ze voor zich ziet als op een primitief italiaans schilderij. 

Het eerste koraal etaleert daarna in z’n tonale rijkdom een reflectie op het eerste deel. 

'Gold, Weihrauch, Myrrhen brachten sie dar, Alleluja!' 

En na een recitatief horen we ook de bas-aria dat feestelijke karakter wat in deze hele cantate de toon zet. Zeer ongewoon in dit deel is het gebruik van twee oboe da cacia in het afkeurende motief uit die eerste maten 

'Gold aus Ophir ist zu schlecht' 

hetzelfde motief wat steeds maar weer terugkeert in de instrumentale begeleiding. De implicite boodschap luidt dat Jezus niet zozeer uit is op deze aardse offerande, hij wil ons hart winnen. 

Het volgende tenorrecitatief, met z’n vele theologische zinswendingen, bespreekt hetgeen wij Jezus aanbieden maar tevens wat Jezus aan ons geeft en dat opent nieuwe vooruitzichten. Dat kan het relaxte, dansante karakter van de nu volgende tenor-aria verklaren. 

'Nimm mein Herze zum Geschenke, Alles, alles was ich bin

We zijn terug bij de volledige orkestklank en bij het opgewekte karakter van de muziek dat verder geintensiveert wordt doordat Bach het ritme van een menuet gebruikt en meerstemmige instrumenten inzet (hobo’s en violen) om verschillende teksten te belichten. 

Het antwoord hierop is het finale koor waarin niet langer het geexalteerde individu aan het woord is maar de gemeente, verenigd in het geloof, in een simpele zangstijl waarbij weer heel andere aspecten van de kerstvroomheid worden belicht; rust, contemplatie, innerlijke warmte. 

'Ei nun, mein Gott, so fall ich dir Getrost in deine Hände' 

Dit is de laatste van een serie elkaar opeenvolgende cantates, allen geschreven rond kerst 1724. De eerste daarvan is adventscantate BWV 62 en deze BWV 65 voor Driekoningen is daarvan het sluitstuk. Een mooie cantate. Met name de Harnoncourt-opname is heel sfeervol deze keer. Maarten zegt dat de thematiek van het openingskoor sterk verwant is met het Preludium in C-groot (BWV 547). In 't Preludium worden echter zulke halsbrekende kunststukken uitgehaald met het thema dat hij daardoor het openingskoor van deze cantate, waarin dat achterwege blijft, nooit zo indrukwekkend heeft kunnen vinden als vele andere Bach-bewonderaars. En ik zeg dat we die ontroerend mooie tenoraria ‘Nimm mich dir zu eigen hin’ toch wel even moeten noemen. 
In de Westerkerk, op 29 januari 2011, blijkt dat opnieuw als daar Robbert Overpelt zijn stem verheft.

 

 







>> ga verder naar cantate 154 >>  de cantates de cantates de ca