Monogram Johann Sebastian Bach








cantates voor Derde Kerstdag

bwv 133 ich freue mich in dir

bwv 151 süßer Trost, mein Jesus kömmt



Voor de kinderen van Johann Sebastian Bach verschijnt er rond de kersttijd geen ‘Weihnachtsmann’ en ook worden er in huize Bach geen kerstspelen opgevoerd. In Leipzig worden deze beide gebruiken beschouwd als bijgeloof en ze zijn in potentie schadelijk voor kinderen. Dat is een opvatting die wij niet kunnen misverstaan bij het lezen van Johann Heinrich Zedler’s Universal Lexicon (Leipzig 1733) en wel onder het hoofdstuk ‘Weynachten’: 

“Want het is niet anders dan schaamteloze gekte om te pogen kinderen goed op te voeden door de kerstman aan te halen. Zeker, het is een vorm van afgoderij die, als God zijn oordeel geeft, voor ouders zó slecht kan uitpakken dat zij het de rest van hun leven zullen betreuren..... Alle kerstspelen zijn van geenerlei waarde. En al maakt men duizend verontschuldigingen, grappen over dergelijke ernstige aangelegenheden blijven niettemin zonde; het is onbetamelijk voor christenen.” 

Duidelijke taal, maar er blijven hoe dan ook toch wel wat feestelijkheden over. Zedler moedigt het schenken van nuttige cadeau’s aan de kinderen van harte aan en er is feestmuziek. Eén van de voornaamste heerlijkheden voor de koorknapen van st. Thomas School is de zes weken lange voorbereiding van hun kerstmuziekboeken. Schitterend gecopieëerd en overvloedig gedecoreerd met zorgvuldig gekozen patronen worden uiteindelijk de nu complete delen overhandigd aan de met recht trotse en goed schoongepoetste leerlingen als ze bijeenkomen op kerstavond. Voor elk kind is een grote kerstkandelaar aangeschaft. Die wordt ontstoken en om exact 4 p.m. gaan de leerlingen in een processie, twee aan twee met hun klasgenoten de binnenplaats over naar st.Thomas. De kerk toont feestelijk en dat wordt nog versterkt door een ongewoon mengsel van dampen en rook afkomstig van verschillende toortsen en kandelaars. De vieringen beginnen officieel op kerstavond, daarna zijn er in de tijd van Bach nog drie officiele feestdagen; de eerste, de tweede en de derde kerstdag. De tweede en de derde kerstdag vallen samen met de feesten van respectievelijk st. Stefanus en st. Johannes, de evangelist. 

Zoals BWV 63 bedoeld is voor de eerste kerstdag zo componeert Bach cantate 64 voor zondag 27 december 1723, twee dagen later. Het is niet zeker of deze cantate bedoeld is om de 3e kerstdag te vieren of wellicht toch meer de gedenkdag van st. Johannes. De tekst doet eerder aan Johannes denken. 

Opvallend is dat Bach maar liefst driemaal gebruikt maakt van een koraal, waarvan alleen nr. 2 gebaseerd is op een kerstlied. Nog meer opvallend; dit is dan eindelijk eens een cantate waarbij de meningen van de deskundigen verdeeld zijn, zeer verdeeld. Wordt in de Rilling en de Harnoncourt toelichting gesproken van een waarachtig, ja zelfs een vernieuwend kunstwerk, zo niet bij de Gardiner-uitgave die meer rept van een haastklus. Wat we daar lezen doet eerder denken aan broddelwerk dan aan geïnspireerde muziek. Interressant. 

“Het lijkt wel of Bach deze cantate onder grote tijdsdruk componeert: hij opent met een motet wat I Johannes 3:1 citeert, een tekst die voor vele gelegenheden passend is en eerder geschreven kan zijn; en verder zijn drie van de acht delen eenvoudige vierstemmige harmonisaties van een koraal. Door het gebruik van een bestaand motet en door met een sneltreinvaart drie koralen te componeren ontstaat er tijd om zich te concentreren op het schrijven van twee korte recitatieven en de twee aria's. Het feit dat de beide aria's hun ‘da capo pause’ reeds vinden in maat 50 is opnieuw een zeker teken dat Bach componeert tegen de klok in.” 

Tot zover deze wat kritische noot uit de toelichting. Vergelijk deze korte beschouwing uit het Gardiner-boekje eens met de wijdlopige, zeer gedetailleerde tekst die je bij de Rilling-uitgave vindt. Deze tekstschrijver gaat nl. uittermate diep in op de vele fragmentarische details uit deze cantate en ziet er juist vele aanwijzingen voor een expansieve vernieuwingsdrift in. Interressant. 

En dan de verschillende uitvoeringen. We worden direkt op het verkeerde been gezet door dat gejaagde, geluidstechnisch wat minder geslaagde begin bij Harnoncourt. Maar de wending komt al bij 2, een 'choral', verrassend genoeg. En het nu volgende recitatief gaat al snel opnieuw over in een koraal. Heel bijzonder. Bij Rilling moeten we erg lang wachten tot het mooi wordt nl. tot de altaria 'Von der Welt verlang ich nichts'. Maar diezelfde aria klinkt bij Harnoncourt juist nog mooier, het lijkt daar wat oprechter gemeend, intiemer haast. Wat een prachtige mannenstem is dat! Het is opnieuw Paul Esswood die ik al eerder bewonderd heb in dit web-log. Nu hoor je hoe mooi een counter kan zijn. Ook de hobo is prachtig. Dan volgt een bekende slotzang, althans voor wie vroeger ter kerke ging bij de gereformeerden: 

'Evangeliewoord' 

Een John Eliot Gardiner -versie is ook aanwezig in de collectie en natuurlijk is dat een topper door het vele koorwerk in deze cantate. 

De volgende cantate is BWV 190, 'Singet dem Herrn ein neues Lied'.








File:Zedler - Universal-Lexicon, Band 1 (Titelblatt).jpg