Monogram Johann Sebastian Bach







een andere cantate voor Tweede Paasdag

bwv 66 erfreut euch, ihr Herzen


Een cantate voor de paasmaandag, en zo meldt ons John Elliot Gardiner, Bach schrijft het met het slotkoor uit de Matthäus Passion nog in het hoofd, mogelijk ligt het nog op zijn schrijftafel als hij begint aan BWV 6. We horen in het openingskoor niet alleen de sarabande-achtige bewegingen die we kennen uit het slotkoor ‘Ruht Wohl’ maar het is ook de toonsoort c klein, met die karakteristieke zoet-trieste sonoriteit die sterk doet denken aan dat koor. Maar waar de epiloog van de passiemuziek elegisch en troostend is, zo wordt dit openingskoor doortrokken van de triestheid van rouwen. Het opent met zachte pleidooien, steeds nadrukkelijker worden ze er is een aandringen op verlichting in een donkere wereld, een wereld waarin de aanwezigheid van Jezus niet meer voelbaar is. We horen een plechtig, bijna melancholische thema dat uitgevoerd wordt door een koor van hobo's (twee hobo's en twee oboe di caccia) voordat het door de zangstemmen overgenomen wordt en op homofone wijze afgewisseld met instrumentale tussenspelen. Deze prelude wordt gevolgd door een koraalfuga waarbij na het koor de begeleidingsinstrumenten inzetten. Het deel eindigt met een herinnering aan de prelude. 

Dit openingskoor slaagt erin zowel verhalend te zijn (het schildert de trieste reis van de discipelen op weg naar Emmaus bij de invallende duisternis) en tegelijkertijd ook universeel (de basale angst om alleen gelaten te worden in het donker). En als de overheersende stemming er één is van verlatenheid dan introduceert Bach, zoals je zou verwachten, een tegenwicht. Het is subtiel geweven in een boodschap aan de gelovige; die moet vasthouden aan Woord en Sacrament, dat biedt houvast in een wereld waar Jezus niet langer aanwezig is.
 
De eerste aria voor de alt (2) begint met een meesterlijk gebaar van Bach waar dalende tonen het invallen van de duisternis verbeelden. Daarna volgt het deel waar deze cantate (naast het openingskoraal) veel van zijn populariteit aan dankt te weten het koraaltrio met de sopraan dan wel de sopranen uit het koor (kan allebei), basso continuo voor orgel en obligate violoncello piccolo. Blijkbaar is Bach tevreden met zijn werk want later zal dit het vijfde deel vormen van zijn collectie Schübler-koralen.
 
In de tweede aria voor de tenor (5) horen we een nederig smeken om de juiste weg te worden gewezen. We horen in de strijkers elkaar kruisende figuren, een muzikaal stijlmiddel om de moeilijkheid van het vinden van de juiste weg te verbeelden. In beide aria's wordt benadrukt; in het licht wat door het duister schijnt zien we Jezus. 

 
Deze cantate is als geheel een mooi werk met veel drama, veel afwisselling. Dat zegt ook Maarten 't Hart. 't Openingskoor noemt hij grandioos. 

“In sfeer verwant met de slotkoren uit de Johannes- en Matthäus Passion blijft dit één van Bach's aangrijpendste stukken.” 

De alt-aria met hobobegeleiding noemt hij wonderschoon. En de koraalbewerking voor sopraan en cello piccolo is boven alle lof verheven. De tenor-aria is ook schitterend. Maarten meldt verder nog dat Harnoncourt een dirigentenprobleem heeft. Bij hem zetten koor en orkest niet gelijk in; bij de inzet van cantate BWV 6 lijkt het wel of er een fabriek uitgaat. En dat dat terwijl koor en orkest veel minder leden telt dan b.v. bij Fritz Werner. Toch zetten reuzenkoor en reuzenorkest bij Werner precies gelijk in. 

Eeerlijk gezegd vind ik die Harnoncourt-versie nu juist wel mooi. De schrijnende klanken die de jongetjes kunnen produceren; dat kunnen wij op latere leeftijd niet meer. Maar het Rilling-koor en de solisten (de alt m.n.) blijken toch ook erg mooi te zijn. Zelfs Adalbert Kraus, waar ik later nog heel vaak erg kritisch op zal zijn, zelfs Adalbert zingt hier werkelijk prachtig. Maar op het moment dat ik dit schrijf heb ik de Richter-versie met Fischer-Dieskau en Peter Schreier nog niet gehoord.

 
 
 
 
 
 
 
 
 
 

tes  de cantates  de cantates >> volgens de chronologie volgt nu bwv 42