Monogram Johann Sebastian Bach






 andere cantates voor Eerste Pinksterdag

bwv 172 erschallet, ihr Lieder, erklinget, ihr Saiten!

bwv 74 wer mich liebet, der wird mein Wort halten

bwv 34 o ewiges Feuer, o Ursprung der Liebe



Een cantate voor de eerste Pinksterdag, hoogstwaarschijnlijk die van het jaar 1723. Bach is zojuist in Leipzig begonnen.

Wat ik gemeld heb over BWV 58, dat het stuk de afgelopen 5 jaar in Nederland in het geheel niet is uitgevoerd, dat geldt ook voor deze cantate. Zegt dat iets? Ja. 

Wat is hier nu zo ongewoon? De meeste van Bach's cantates voor de kerk eindigen met een koraal. En in de meeste gevallen correspondeert deze met het openingsdeel van de cantate, vooral als de orkestratie groot en feestelijk is. Cantates zonder koraal zijn meestal werken voor één stem (of er is een dialoog) met daarbij slechts instrumentale begeleiding. Als we dit als een regel beschouwen dan is deze pinkstercantate hierop een uitzondering. De opening houdt het midden tussen een italiaans kamerduet en een feestelijk concertstuk. De instrumentatie is nogal beheerst, ingehouden. Er zijn geen houtblazers, er zijn twee trompetten in plaats van drie zoals gebruikelijk en een koor ontbreekt. 
Waarschijnlijk houdt dit alles verband met de uitvoering. Die was niet in de Thomaskirche, zeer waarschijnlijk heeft deze uitvoering plaatsgevonden in de kerk van de Universiteit van Leipzig. En dat verklaart veel want dan heeft Bach zichzelf beperkingen opgelegd, de universiteit beschikt - althans op muzikaal gebied - over wat meer bescheiden talenten. 

In de opening horen we vier keer het bijbelcitaat in de vorm van een canon aan ons voorbijtrekken. Horen we het voor de vijfde keer dan wordt het ons homofoon voorgesteld wat de instrumenten in staat stelt om niet langer zo terughoudend te zijn. Met wat meer majesteit worden de woorden van de Verlosser hier met wat extra glans omgeven. 
Hierna eindigt het door strijkers begeleidde sopraanrecitatief (2) met een arioso als de tekst spreekt van ‘ ihn ein jeder lieben sollte’. 
En dan is het vreemd om vervolgens op dit punt (3) een koraal te horen. Het is een pinksterhymne van Luther en het klinkt dankzij onafhankelijk partijen van viool én altviool bedriegleijk weelderig en vol. 
En daarna volgt de slotaria van de bas die spreekt over het ‘inhuizen’ van God in het menselijk hart. 

Is dit werkelijk het einde? 

Het opschrift ‘chorale segue’ geeft ons geen enkele duidelijke aanwijzing wat Bach bedoelt. Een herhaling van het koraal? De derde strofe van dat koraal? Iets geheel anders? 

De meeste uitvoeringen kiezen voor die tweede optie. Alleen Rilling stopt hier. 

Bach vindt dit werk blijkbaar zo onbevredigend dat hij het een jaar later uitbreidt en bewerkt tot wat dan cantate BWV 74 zal worden. Althans, hij gebruikt andere teksten en hij bewerkt het beginduet en de basaria. Gillies Whittaker schudt zijn hoofd over het feit dat Bach die aria voor bas en viool opnieuw gebruikt, nu met een andere tekst voor sopraan en hobo. In dit geval heeft Whittaker ongelijk, dit alles past die nieuwe - ietwat geexalteerde - woorden juist heel goed. Het is een prachtige aria geworden. 

BWV 59 is echter een naar mijn mening een nogal onbeduidende cantate, die in geen enkele uitvoering echt enerverend wordt. De meest ongelukkige kennismaking met deze cantate verloopt via Harnoncourt, Nehmet brengt het er wat beter af. Er zijn ook twee versies door The Monteverdi Choir/The English Baroque soloists, mogelijk is de latere opname favoriet. Bij deze uitvoeringen is - altijd bij Gardiner - het koor prachtig. Eigenlijk is de wat dik aangezette klank bij Rilling nog het meest geschikt om deze cantate wat meer kleur te geven. 

Maar het is wellicht een idee om in plaats van BWV 59 direct te gaan luisteren naar BWV 74. Daar krijgen we dan ook een werkelijk heerlijke tenoraria bij. En voor wie geinteresseerd is in de statistiek; BWV 74 wordt wel gespeeld in ons land, de afgelopen vijf jaar was dat 5 of 6 keer. 









cantates de cantates de cantates de cantates cantates de cantates de cantates nu 75