Monogram Johann Sebastian Bach                                                                                                             




cantates voor Tweede Kerstdag  bwv 40 darzu ist erschienen der Sohn Gottes

bwv 121 Christum wir sollen loben schon



 

 

Cantate voor de tweede kerstdag 1725, tevens naamdag van Stefanus. Bij de Epistellezing op deze dag gaat het dan ook niet over het kerstkind maar over de lotgevallen van Stefanus, de eerste martelaar van het christelijk geloof die dapper en voorbeeldig sterft en daarvoor beloond wordt met een visioen van zijn Heer en Heiland, Jezus Christus, gezeten ter rechterhand Gods. Hij krijgt een blik op het eeuwige leven. Wie is Stefanus? Het antwoord vinden wij - als altijd - in Wikipedia. 

"Sint Stefanus is de eerste diaken die door de apostelen wordt aangesteld om de aalmoezen eerlijk te verdelen onder de weduwen, hij is de financiële man van de nieuwe beweging. Dankij Stefanus kunnen de apostelen zich nu concentreren op preken en lesgeven. Hij wordt in het jaar 35 gestenigd na in Jeruzalem de hogepriester en de oudsten te hebben beschuldigd van moord op de Messias. Volgens de legende wordt het lichaam van Stefanus in 415 ontdekt. Het lichaam wordt overgebracht vanuit Jeruzalem, met een tussenstop in Constantinopel, naar het Vaticaan in Rome. De overblijfselen worden in het graf van Laurentius van Rome bijgezet. Stefanus zien we over het algemeen afgebeeld in de kledij van de diaken, de dalmatiek. Het is vaak een jonge man zonder baard en met vriendelijke gelaatstrekken. Als attribuut draagt hij stenen die op zijn hoofd, in zijn handen of op zijn schouders liggen, al dan niet bebloed." 

De predikant van Leipzig, Salomon Deyling zal in 1725 gedacht hebben – al dan niet in overleg met zijn cantor – dat hij het kerstgebeuren eens wat extra diepgang moet geven door de gemeente Gods er op te wijzen waartoe het geloof in het pasgeboren kind kan leiden, namelijk tot het martelaarschap. Voordat de predikant dit in zijn preek eens goed in de verf zet, volgt nu eerst Bach's cantate met teksten uit de brief van Jacobus waarin het thema duidelijk aan de orde gesteld wordt. 

“Wie volhardt, wie volhoudt, ook al is de beproeving soms bijna niet om te dragen, die zal niet beschaamd worden. Hij zal de kroon des levens ontvangen (kroon in het Grieks = Stefanos).” 

Volhouden is dus de boodschap want de beloning na afloop is zo geweldig groot dat al dat lijden, ook dat van Stefanus, er bij in het niet verzinkt. En om ons van dat laatste te overtuigen horen we in de cantate dan ook een innige dialoog tussen Christus (de bas) en de Ziel (de sopraan). En ook wordt er een beeld geschetst van Stefanus die de hemel geopend ziet en daar ‘zijn Heiland’ mag aanschouwen. Een aantrekkelijk vooruitzicht. De vijanden die Stefanus willen doden zijn in deze cantate niet zozeer mensen van vlees en bloed, nee, hier zijn het de machten van zonde en ellende die bestreden moeten worden; Ja ja, ich mag die Feinde schlagen'. Waarna in de laatste aria van deze cantate al onze aandacht gaat naar het verlangen dat er is (over en weer) tussen Jezus en de mens.

‘Ach, Jezus was ik maar vast bij u’ 

In de openings-aria horen we de bas die de grootsheid bezingt van het martelaarschap in een zeer breedgefraseerde, ernstige melodie, begeleid door drie strijkersgroepen en een licht contrapuntisch weefsel van drie hobo's. Een contrast daarmee vormt vervolgens de sopraan-aria. Het is het lied van de verlaten ziel, onzeker zwervend in een wegvloeiende chromatiek en smekend om de dood sinds Jezus' liefde van haar weggenomen is. Jezus biedt hierna hand en hart en in die onmiskenbaar opera-achtige wraakaria belooft hij zijn vijanden te overwinnen. In de aria die we horen voor het slotkoraal vindt de ziel uiteindelijk de overtreffende liefde en de rijk geornamenteerde soloviool als begeleiding suggereert dat de ziel gepassioneerd in Jesus' armen eindigt. 

 

Zo ontroerend de muziek, zo vervreemdend de teksten. De tekst van de cantate komt uit de pen van G. C. Lehms (1684-1717), hofdichter en hofbibliothecaris te Darmstadt, uit wiens eerste bundel met cantateteksten Bach in de loop van zijn carrière maar liefst 10 x heeft geput. Lehms schrijft met BWV 57 een dialoogcantate maar het is er één waarbij de direkte dialoog tussen de karakters beperkt wordt tot de recitatieven. De dramatische nadruk wordt veel meer gelegd op de aria's, daar worden de verschillende emoties geëtaleerd. Maarten 't Hart zegt dat vooral die eerste sopraan-aria zo indrukwekkend is. Hij kent die in de uitvoering van Ellie Ameling. 

"Het is één van de warmste, roerendste, meest mystieke stukken muziek die Bach schreef. De aria 'Ich wünschte mir den Tod' is niet alleen zo prachtig, zo volmaakt, zo in zichzelf genoeg dat je het telkens als een schokkende verrassing ervaart dat daar dan nog achter komt 'wenn du mein Jesu mich nicht liebtest'. En toch ervaar je dat niet als een breuk omdat die muziek onder ‘wenn du, mein Jesu’ ook zo beeld- en beeldschoon is." 

De Ameling-versie bezit ik niet en het wordt mij pas duidelijk wat Maarten hier bedoelt na het beluisteren van de Harnoncourt-versie. Prachtig! Wie verwacht dit van zo'n jongetje met zo'n onmogelijke tekst. En even later.... Wat een heerlijke bas-aria is dat met die schitterende versieringen in de strijkers 'Ja, ja, ich mag die Feinde schlagen' de wraakaria dus. Hoe is het toch mogelijk om op een dergelijke tekst een zo prachtige muziek te componeren. Na wederom een sopraan-aria die vrij abrubt eindigt volgt hierna vrijwel naadloos een prachtig koraal. 

'Meng in 't geklank' 

Althans dat is wat een ieder denkt die ooit de Gereformeerde Kerk bezocht, zoals ik. Al met al een mooie cantate maar misschien moet ik toch Ameling eens horen. En die bas-aria, die beschouw ik als een kroonjuweel. Daarom, bij wijze van curiositeit een zeer oude, zeer langzame opname (audio) van 
de wraakaria gezongen door de mij volmaakt onbekende bas Evereich. Heel bijzonder. En hierna volgt chronologisch gezien bwv 151. Deze is voor de Derde Kerstdag, jawel, die hadden we toen nog.