ook voor de negentiende zondag na Trinitatis

bwv 48 ich elender Mensch, wer wird mich erlösen

bwv 5 wo soll ich fliehen hin



 

 

Wikipedia over wat nu precies een kruisstaf is: 

De 
ferula of kruisstaf is de bisschopsstaf van de paus. Paus Johannes Paulus I en Paus Johannes Paulus II gebruikten een ferula met een kruisbeeld van Christus, die in 1964 vervaardigd werd voor Paus Paulus VI (1963-1978). Ook Paus Benedictus XVI gebruikte deze kruisstaf enige tijd maar met Pasen 2008 gebruikte hij een vergulde staf met een rijkversierd klassiek Latijns kruis erop, voorzien van enkele medaillons, die oorspronkelijk van paus Pius IX was en die eerder al door Paus Pius XII (1939-1958) en Paus Johannes XXIII (1958-1963) gebruikt werd. 

Toch is dit niet de kruisstaf die Bach bedoelt. Zijn kruisstaf is een typisch product van de spiritualiserende bijbeluitleg, zoals die in Lutherse kringen in Bach’s tijd in zwang is. Heel deze cantate is dan ook doortrokken van wat men ook wel de ‘tale Kanaäns’ noemt, voortdurend worden hele of halve bijbelwoorden geciteerd, soms nauwkeurig, soms vrij. Voortdurend worden termen gebruikt die voor de insiders meteen een bel doen rinkelen, maar die voor outsiders alleen maar vreemd zijn. Het begrip ‘kruisstaf’ is zo’n  term. Een citaat: 

Der Creuzstab schläget mich, dass ich soll Thräne weinen!
So will mein JESUS mir mit seiner Gnad erscheinen,
Er führet mich zur Krohn und ist der Himmelwaag;
Drum ich dir JESU folg, und dir das Creutz nachtrag.


(Heinrich Müller, Himmlischer Liebes-kuss, derde druk 1669) 

In dit gedicht is de stok die slaat of de last die drukt gecombineerd met 'het kruis' en daarmee is het tevens een teken van van hoop geworden. Ook in de cantate komt deze stok in verschillende gedaanten steeds weer terug. ‘Mein Wandel auf der Welt’ herinnert onmiddelijk aan de pelgrim, immers vergezeld van een stok. In de bas-aria (nr. 3) neemt de stok de gedaante aan van een juk. Vervolgens wordt deze weer afgeworpen als de tocht volbracht is. 

Dit soort wendingen en beeldspraken zijn voor Bach en zijn kerkgangers zeer vertrouwd. Uit ervaring, maar ook uit zelfstudie wat Bach betreft. De meest bekende 'Predigthilfe' van die tijd, de lijvige 'Hauptschlüssel', een 5-delige bijbelverklaring van Johannes Olearius staat prominent in Bachs bijzonder goed gevulde theologische bibliotheek. En ook Heinrich Müller (zie bovenstaand citaat) is present. Olearius voorziet alle vreemde verhalen van een toepassing, en daarbij wordt duchtig geassocieerd (of beter 'ge-allegoriseerd'). Alles wat symbolisch kan worden verstaan wordt als zodanig geïnterpreteerd. Dat wil in dit geval zeggen: Men zal werkelijk elke staf (wandelstok) die je in de Bijbel maar kunt vinden met elkaar proberen te verbinden tot er een idee van ‘staf’ ontstaat dat omhangen is met een maximum aan betekenissen. 

Daar is bijvoorbeeld Mozes’ staf die de Schelfzee spleet... die water uit de rots deed komen.
Daar is de staf van zijn broer Aäron, die ooit is gaan bloeien midden in de woestijn.
En dan is er ook nog die andere 'stok', het kruis van Christus. 

Wie dit weet kan de hele cantate verklaren. Immers, gewoonlijk draag je een staf je niet, daar ‘ga je mee op weg'. Leg je echter er de nadruk op dat het een kruisstaf is, die je moet dragen, een drukkende last, een juk, dan valt alles op z’n plaats. Je moet immers – volgens het evangelie – je kruis opnemen en achter Christus aan dragen om kans te maken op het eeuwige leven. En je kruis dragen dat is op zich zwaar, vandaar de ernstige toon en de slepende ritmiek met Seufzer-motieven in die eerste aria. We worden ook geconfronteert met 'plagen' in de derde regel en de hemel wordt hier ‘het beloofde land’ genoemd. Dat alles is natuurlijk helemaal geen toeval, immers, met een Mozesstaf komen we uit Egypte, U weet wel het land van de 10 plagen. En met Aäronsstaf komen we aan in het beloofde land, dat wil zeggen bij God, dat wil zeggen in de hemel. Het is alles een kwestie van vrij associëren, dus laten we dat dan maar doen. Zo wordt in het recitatief (2) het leven op aarde vergeleken met een zeereis op weg naar de ‘veilige haven’. De golven van de zee zijn te horen in de cello, ze houden abrubt op bij de woorden 'so tret ich aus dem Schiff'. Op dit moment namelijk hebben we meine Stadt’ bereikt ‘die ist dass Himmelreich’. In de opgewekte aria die daarna volgt (3) is de vreugde te horen die ons ten deel zal vallen als het juk afgenomen zal zijn. De nieuwe levenskracht van de mens (trouwens ook hier weer op weg naar het beloofde land) wordt beschreven met behulp van het beeld van de hoogvliegende adelaar, waarvan men meent dat die - als een soort Phoenix - zijn jeugd kan vernieuwen (ps. 103: 5). In het volgende recitatief wordt teruggegrepen op de woorden en de noten van de openingsaria. Door een letterlijk citaat uit die aria aan het einde van 4 vloeien beide ‘reisbeelden’ in elkaar. Onvergetelijk schoon worden de 'Tränen'hier muzikaal uitgebeeld. In het slotkoraal weet Bach in één regel 'den durch dich komm ich hinein' door modulatie over te gaan van doodssmart naar heerlijkheid! Sterven is als aanmeren in de veilige haven om met Jezus verenigd te worden.


Maarten noemt dit één van de meest geweldige cantates die Bach componeerde. 

“Eén van de meest ontroerende momenten uit het hele oeuvre van Bach vind je hier. Als de bas zingt: 'Da leg ich den Kummer auf einmal in's Grab, da wischt mir die Tränen mein Heiland selbst ab' zou je er zelf ook bij gebaat zijn als de Heiland je een papieren zakdoekje aanreikte. In het slotrecitatief wordt nogmaals aan de tranen afwissende Heiland gerefereerd. Een adembenemend moment.“ 






 



 


Voor bovenstaande beschouwing heb ik Wikipedia geraadpleegd en daarnaast een inleiding van Dick Wursten naar aanleiding van een meditatief concert van 27 en 28 oktober 2001 in Schoten en Overijsel.


de cantates de cantates de cantates cantates de cantates verder met cantate 49