Monogram Johann Sebastian Bach




ook voor de drieëntwintigste zondag na Trinitatis

bwv 163 nur jedem das Seine

bwv 139 wohl dem, der sich auf seinen Gott



De opening zal een ieder bekend voorkomen, althans wie de Brandenburgse Concerten kent. Die stammen uit 1721, dat is vijf jaar voor het totstandkomen van deze cantate BWV 52. Toch is de muziek nog ouder. In februari 1716 klinkt ze reeds in Bach's cantate 'Diana, Endimion, Pan und Pales' ter gelegenheid van de verjaardag van hertog Christian zu Sachsen-Weissenfels. We mogen aannemen dat Bach dermate tevreden is over de muziek dat hij ze maar liefst twee maal hergebruikt. 

De tekstuele en muzikale structuur van deze cantate zijn verder uiterst simpel. Een recitatief en een aria beschrijven de valsheid van de wereld en daarna volgen opnieuw een recitatief en een aria waarin aandacht is voor de goedheid van onze Heer. Dit alles wordt voorafgegaan door een sinfonia en gevolgd door een slotkoraal. De toonsoorten zijn al even eenvoudig; F majeur is het raamwerk, D mineur en A mineur staan voor de valse wereld, B majeur voor het verklanken van God's goedheid. Dit simpele basale plan wordt verrijkt met een mooie instrumentatie met daarbij twee hoorns, opvallend is het scherpe contrast tussen de verschillende delen. 

Die eerste aria schildert de vrome christen die de wereld verwerpt. Opvallend zijn de voortdurende declamerende motieven ('Immerhin') in deze aria. Een grote tegenstelling vormt dit met het tweede recitatief ('Gott ist getreu') en de tweede aria met z'n dansende motieven door de blazers waarin de ‘dans van de ziel’ en de heldere wereld van God worden verbeeld. Het hele orkest begeleid dan het koor in de finale waarbij één hoorn de cantus firmus vergezeld, de andere heeft daarbij een obligato partij. 

Mijn oordeel over deze cantate. Een prachtige opening van de blazers, maar bij Leonhardt houden ze dat maar met moeite enigszins zuiver. En ja, het is natuurlijk voor de hedendaagse luisteraar toch een Brandenburgs Concert (nr 1.) wat we hier horen, en het lijkt hoe dan ook volkomen los te staan van de rest van deze cantate. Kunnen we elders Bach's 'Parodieverfahren' goed verdedigen omdat hij zijn eerdere werk met zoveel zorg uitkiest, hier heeft hij blijkbaar een blinde greep in zijn kast gedaan. 

En och, dan is daar dat arme jongetje dat moet zingen: 'Falsche Welt, dir trau ich nicht!' We horen Seppi Kronwitter van het Tölzer Knapenchor die hier misschien tien of elf jaar oud zal zijn. Het blijft een 'gedoe' met die authentieke uitvoeringen van Leonhardt. En vervolgens gaat het over schorpioenen en over slangen. Wat een bedroevend dichterschap wat tot dit soort passages leidt, waarschijnlijk een pennevrucht van de plaatselijke postbezorger. Die laatste aria is dan ineens ontroerend mooi met die prachtige hobo’s die een vorstelijke polonaise lijken te verbeelden. Vorstelijk is het, maar onze Seppi komt hier toch echt in ademnood. Dan toch maar Rilling? Of Leusink? Arleen Auger weet hoe dan ook veel meer te boeien met deze cantate. In ieder geval is dit alles veel minder hilarisch dan wanneer je al deze dingen middels een kind te horen krijgt. 

Wie meer wil weten over hoe Harnoncourt zelf op zijn inmiddels 30 jaar oude authentieke uitvoeringen terugkijkt moet de artikelen in deze web-site er even op naslaan, zie het bericht ‘Nicolaus Harnoncourt over de Bach cantates’. Een citaat hieruit: 

“Als de jongens in zo’n koor zo jong zijn dat ze werkelijk geen idee hebben wat ze zingen dan is het resultaat ofwel een kinderlijk geluid dan wel wordt de boodschap van de muziek kinderlijk. Sommige mensen houden hier erg van, maar ik niet. Het is in tegenspraak met de ernst en de diepte van de muziek.” 

Jawel Nicolaus, goed dat dit nu eens hardop gezegd wordt. Hier eindigt overigens de derde jaargang van kerkcantates. Althans, volgens onze maatstaven eindigt deze nu, Bach componeert gewoon verder. Nu even niet, de adventstijd nadert maar in januari zal
de volgende cantate van zijn hand verschijnen, BWV 58.