Monogram Johann Sebastian Bach










voor de vijftiende zondag na Trinitatis

bwv 138 warum betrübst du dich, mein Herz

bwv 99 was Gott tut, das ist Wohlgetan


Wie hier doorklikt naar de website Recordings & Discussions of Cantatas moet al tellend tot de conclusie komen dat er maar liefst 73 uitvoeringen van deze cantate bestaan. Ik heb er 9 in mijn collectie. 

Wat zo bijzonder is aan BWV 51 is vooral de zeer ongewone combinatie van solopartijen voor sopraan en trompet. We treffen die bij Bach verder nergens aan. Voor dergelijke bravoure stukken moeten we in Italie zijn, bijvoorbeeld bij Alessandro Scarlatti of bij Antonio Vivaldi. 

Voor deze cantate is een jongenssopraan echt niet wat we nodig hebben, een operadiva moet het zijn, een echte en daarnaast een trompetvirtuoos. Juist vanwege die extreme technische eisen die deze cantate stelt klinkt 'Jauchzet Gott...' niet zozeer in kerken maar eerder op de
grote concertpodia, en dat is al zo sinds het begin van de vorige eeuw. Jawel elke grootheid - of een ieder die zich als zodanig beschouwt - wil zich via dit werk aan ons kenbaar maken. Het is zonder twijfel de meest op cd uitgebrachte cantate. 

Er bestaan bij BWV 51 duidelijk twijfels over de ontstaansgeschiedenis en ook voor welke gelegenheid deze bedoeld is. Ik lees ergens dat ze geschreven is voor het Pinksterfeest van 1730. Maar elders wordt weer gemeld dat de cantate bestemd is voor de vijftiende zondag na Trinitatis (de 17e september van datzelfde jaar). Waarschijnlijk is de versie zoals we die nu kennen
inderdaad uit 1730 maar betreft het hier een ‘remake’ door Bach van een eerder door hemzelf geschreven werk. Toch is het zeer onwaarschijnlijk dat BWV 51 werd uitgevoerd in een kerk te Leipzig, in de kerk worden namelijk geen operadiva’s getolereerd, alleen jongenssopranen mogen daar komen en het is inmiddels wel duidelijk dat een jongen een dergelijk virtuoos stuk nooit zal kunnen zingen. Misschien is het in Dresden uitgevoerd, mogelijk werd het toebedeeld aan de destijds zeer beroemde castraat Giovanni Bindi. We weten het niet. 

‘Jauchzet Gott in allen Landen’ opent met een spectaculaire bravoure-aria waarin sopraan en trompet met elkaar een strijd aangaan zoals we die doorgaans horen in een Italiaans instrumentaal concert. De sopraan vertolkt haar uitbundige vreugde met coloraturen die zich over twee octaven uitstrekken en ze bereikt daarmee - zeer bijzonder is dat - de hoge C (met drie strepen). 

Na die uitbundig gezongen openingsaria volgt - en dat is een groot contrast - een zeer ingetogen recitatief (2) met een boodschap die ontleend is aan de psalmen. Het eerste deel is accompagnato: rustig pulserende strijkersakkoorden begeleiden een intiem gebed. Maar de strijkers trekken zich terug als de tekst spreekt over ‘
der schwache Mund’ en over ‘lallen’ (stamelen). 

In de introspectieve aria die daarop volgt (3) blijft de sfeer van het recitatief gehandhaaft: de aria staat net als het recitatief in a-klein en ze heeft net als het slot van 2 slechts begeleiding van het continuo. De cantate als geheel wekt op deze manier een driedelige, symmetrische indruk: een verstild middendeel tussen twee uitbundige hoekdelen. 

In plaats van het gebruikelijke slotkoraal gebruikt Bach nu een instrumentaal trio (twee violen en continuo) waarin de sopraanstem die het koraal zingt is geïntegreerd (4). Zoals gebruikelijk zijn het lange, strakke noten en we weten dat dat heel moeilijk zingen is voor een operadiva. Die wil immers meer, ze wil vocaal uitpakken maar dat is hier ongewenst. De koraalfantasie leidt direct naar een 'Alleluja' waarin de trompet weer terugkeert en daarmee ook die briljante sfeer en de virtuositeit van het begin. De sopraan mag weer helemaal los en ze bereikt opnieuw haar hoge C. 

En dan nu de uitvoeringen. Zoals gezegd, velen willen dit zingen, ook zij die dit beter niet hadden kunnen doen. 

Marianne Kweksilber, zingt bij Leonhardt. De wat ouderwetse Maria Stader horen we Richter, plechtstatig klinkt het daar en het orkest speelt in een zeer grote bezetting. Maar het is wat vermoeiend allemaal. Vervolgens luisteren wij naar de uitvoering van 'the Academy of st Martin in the Fields'. Bij deze versie lijken zowel Maurice André als Helen Donath te doen wie het eerste klaar is. Maar dan, als Helen alleen aan het woord komt en wat vaart mag minderen, dan hoor je een intens gezongen cantate, vooral wanneer het kamermuziek-achtige
'Sei Lob und Preis' aanbreekt. Schitterend is dat! Tot Maurice - voor het slotakkoord - opnieuw opduikt. Dan is er ook nog een uitvoering uit het voormalige Oost-Duitsland, nl. met Adèle Stolte. Niet opvallend mooi. En bij Gardiner horen we Malin Hartelius, ook al zo'n haastklus. Zoveel is duidelijk; alles valt of staat met de zangeres/zanger en wat mij betreft zijn er niet zoveel mooie opnames. 

Maarten 't Hart noemt deze cantate subliem maar zegt erbij dat we iemand als Elly Ameling nodig hebben om dit alles recht te doen. Daar heb ik geen uitvoering van. Er stond ooit iets op een verzamel-LP, maar ja... Ik denk dat Arleen Auger, die bij Riling zingt, niet voor haar onderdoet. Wat een schitterende stem! Het valt me bij deze uitvoering op hoe bij 'Sei Lob und Preis' de beide violen welhaast in een andere toonsoort lijken te spelen en hoe mooi Arleen zich daar naadloos bijvoegt. Heel mooi. Jawel, dit is wat mij betreft de ideale uitvoering. 

Maar het is wel een heel voorlopig oordeel. Er zijn nu nog 64 uitvoeringen die ik niet ken. En nu, volgens de chronologie, volgt BWV
192.