Monogram Johann Sebastian Bach


ook voor de negentiende zondag na Trinitatis

bwv 56 ich will den Kreuzstab gerne tragen

bwv 48 ich elender Mensch, wer wird mich erlösen



Cantates brengen ons programmamuziek, ook wel programmatische muziek genoemd. Dit is een vorm van muziek die een verhaal vertelt of iets uitbeeldt wat op literatuur, geschiedenis of natuur betrekking heeft. Het is muziek waarin zich een 'programma' ontvouwt. Dit in tegenstelling tot abstracte muziek die we ook wel absolute muziek noemen. In de barok worden programmatische elementen vaak gebruikt om gezongen teksten te accentueren. In een cantate als 'Wo soll ich fliehen hin' wordt weer eens aangetoond hoe sterk programmamuziek, gebruikt in een kerkdienst, de bijbelse boodschap kan ondersteunen, de preek kan versterken, bepaalde aspekten van het evangelie kan illustreren. Zo worden in BWV 5 Christus' woorden 

 

'Uw zonden zullen vergeven worden' 

 

bepaald geen onbelangrijke mededeling, gerelateerd aan zijn latere offerdood. Zijn dood zal de mensheid van haar zonden verlossen. 

 

Een hymne uit het ‘Dresdner Gesangbuch’ van Johann Heerman voorziet de cantate niet alleen van een leitmotief maar ook van haar titel ‘Wo soll ich fliehen hin’. En als we een exegese van deze cantate willen geven, en dat willen wij, dan zien we in de eerste drie delen de ellendige mens en zijn met zonden beladen ziel en vervolgens in de laatste vier delen een beschrijving van de vergevingsgezindheid van Christus ten aanzien van een ieder die in hem gelooft. De alt zingt woorden (in 4) die leiden van het eerste deel naar het tweede en zorgt op deze wijze voor een  scharnierpunt in de cantate. 

 

De hymne van Heerman domineert samen met de daarmee geassocieerde melodie ‘Auf meinem lieben Gott’ zowel de vorm als de muzikale inhoud van de openingsfantasie. Zelfs de instrumentale prelude, een imiterende dialoog voor twee hobo’s en twee violen, is gebaseerd op de melodie van de hymne, maar dan verminderd, net als de laagste drie stempartijen. 

 

In 2, het recitatief voor de bas, gaat het Bach om de helende, purgerende kracht van het heilig bloed, waarvan één druppel zulke wonderen verricht dat het ons reinigt van alle smetten. Zoiets doet toch onmiddelijk denken aan miraculeuze brouwsels zoals die worden gebruikt in de biodynamische landbouw; een concentratie van 5 gram op 60 liter water kan een hectare gewassen in het veld vruchtbaar maken. 

 

Deze spirituele algemie wordt ook weer heel beeldend tot uitdrukking gebracht in die verrukkelijke tenor-aria met obigate altviool (nr. 3) waarin ons het curatief stromende effect van een goddelijk voorjaar geschilderd wordt. Schijnbaar nimmer-eindigende, melismatisch golvende motieven gecombineerd met dalende drieklanken verbeelden hier onze loodzware zonden, ze zinken diep naar de bodem in bloeddoorlopen rivieren. Bijzonder is dat we hier een altviool horen, het is de enige obligate altvioolpartij uit Bach's gehele cantatewerk. Het is ook niet helemaal zeker dat Bach hier de altviool bedoeld heeft; er zijn ook bronnen die beweren dat hij een violoncello piccolo in zijn hoofd had. Opvallend in deze cantate is verder dat elke vocale entree ontspringt uit die tuimelend vloeiende gebaren van de viool - reinigende bewegingen van een welhaast prototypische barok wasmachine. 

 

Het vierde deel, een recitatief, is zoals gezegd het centrale deel van deze symmetrisch ontworpen cantate. Bach herintroduceert hier de melodie van Heerman’s hymne als contrapunt voor de alt die afgemeten reciteert. Deze ‘cantus firmus’ wordt toebedeeld aan de hobo. Blijkbaar zijn er geen woorden nodig om onmiddelijk associaties te krijgen bij datgene wat de zanger hier verkondigt namelijk dat ‘Angst und Pein nicht mehr gefährlich sein’. Voor de goed ingevoerde kerkganger in Leipzig is dan ook onmiddelijk de troost van het koraal hoorbaar in die hobomelodie 

 

‘Er kann mich alzeit retten aus Trübsal Angst und Nöten’

 

Die bewering van bevrijding en triomf is de sleutel naar een van Bach’s meest robuuste bas-aria’s (5) waarbij de trompet geplaatst is pal tegenover de rest van het orkest met een wild uitdagend obbligato om zo de ‘Höllenheer’ (hordes uit de hel) te tarten; ‘Verstumme!’ Een buitengewoon drastisch beeld is het en die obligate trompet symboliseert hier strijd en overwinning waarbij de aanduiding 'vivace' moet leiden tot een voortstuwende beweging in deze muziek terwijl de 8 fermata's die in dit deel voorkomen juist een bevel tot stilte zijn. 

 

De schoonheid van deze cantate dient zich niet altijd bij een eerste beluistering als vanzelfsprekend aan. Het duurt even voor we dit mooi vinden. De tenor-aria met die werkelijk schitterende vioolpartij valt al snel op. En vanaf dat moment kan deze cantate niet meer stuk; rechtstreeks de hemel in! Hoogstens doen die blazers in de bas-aria bij de Harnoncourt-versie afbreuk aan dat hemelse gevoel maar we kunnen het ook zo uitleggen dat dit nu juist mooi overeenkomt met de inhoud. Een vergelijking met de spatzuivere trompetten bij Richter is nu wel mooi en Fisher Dieskau verhoogt het geluk daar nog verder. En bij Gardiner is het slotkoraal dermate prachtig gezongen, jawel, zo kennen we hem weer. 

 

 

Geraadpleegde bron; John Eliot Gardiner








    



    hierna volgt BWV 180 >>  de cantates  de cantates de cantates  de cantates