hier nog wat andere cantates voor de twintigste zondag na Trinitatis

bwv 162 ach! ich sehe, itzt, da ich zur Hochzeit gehe

bwv 180 schmücke dich, o liebe Seele



Kunnen we het eigenlijk wel een kerkcantate noemen? Deze BWV 49 ‘Ich geh' und suche mit Verlangen’ is op het eerste gezicht meer de verbeelding van een nogal aardse liefdesverbintenis, een man en een vrouw zoeken en vinden elkaar. Het is wat we noemen een 'dialoogcantate'. En met slechts twee vocale solisten, sopraan en bas, is het één van de weinige cantates waarin Bach geen gebruik maakt van een koor, ook niet voor een kort koraal. 


Het instrumentale ensemble behelst een oboe d'amore, een piccolo violoncello, twee violen en een altviool, continuo (fagot, cello en viola da gamba) en een zeer belangrijke rol voor het obligate orgel. We zijn in het vierde cantatejaar beland (1726-1727) en Bach zal in dit jaar het concerterende orgel in maar liefst vijf andere werken te hulp roepen (BWV 146, 170, 35, 27 en 169). Het geeft hem ongetwijfeld de gelegenheid om hiermee het leerlingschap af te ronden van zijn briljante oudste zoon, Wilhelm Friedemann, nu bijna zestien jaar oud. En zo heeft onze Kapelmeister vanaf dit moment de mogelijkheid om de hulp in te roepen van een virtuoze vrijwilliger, altijd op afroep beschikbaar. 


Dit is heerlijke muziek. Van het vlotte orgeltje neem je onmiddelijk aan dat het eigenlijk voor een soloconcert bedoeld is en dat blijkt dus ook zo te zijn. Het is een deel van een concert, geschreven voor blokfluit, wellicht voor hobo. We weten het niet zeker want het oorspronkelijke werk is verloren gegaan. We kennen het omdat Bach het later weer omgewerkt heeft tot het bekende klavierconcert BWV 1053, het is daar het finale deel. Bach heeft de eerste twee delen van dat concert twee weken geleden al gebruikt in cantate 169. Maar hier is dit allegro bij wijze van een  introducerende sinfonia volledig op z’n plaats doordat het als het ware de gasten in de juiste stemming brengt en ze uitnodigt tot de festiviteiten. 


Want het is feest. In deze kerkdienst is de gelijkenis (een educatief bedoeld verhaal) van het koninklijke bruiloftsmaal aan de orde. Qua thematiek beweegt dit alles zich rond de bruid en de bruidegom maar het gaat hier in feite opnieuw over de ziel (de sopraan) en Christus (de bas). Christus die de ziel van de gelovige nodig heeft wordt ons hier gepresenteerd als een jongeling die op zoek is, zijn bruid tooit zich met de versierselen van het geloof en toont zich daarmee waardig om te verschijnen aan het hemelse banket. Een amoureuse dialoog zoals in de opera, juist erg in de mode op dit moment, helpt Bach om deze allegorische voorstelling verder uit te bouwen. En uitnodigende dansmuziek onderstreept dat nog eens. Het lijkt alles rechtstreeks afkomstig te zijn uit een Italiaanse opera. En het is natuurlijk prachtig, die fragiliteit, zeg maar de kwetsbaarheid van de christelijke ziel hier verbeeld door de sopraan tegenover de zekerheid waar de bas voor staat, dit is de Vox Christi in eigen persoon. Een stralenkrans rond het hoofd. En ze worden hier samengebracht in amoureuse dialogen, sensueel is het, we kunnen wel zeggen dat het grenst aan erotiek waarbij ze geïnspireerd lijken te zijn door een oude traditie zoals we die ook kennen uit het Hooglied. Wellicht het mooiste onderdeel van deze cantate is deel vier, een aria voor de sopraan, oboe d’amore en violoncello piccolo. We horen een tamelijk vroeg equivalent van Bernstein’s ‘I feel pretty’ en we zien (althans in gedachten)  als in ‘West Side Story’ een dansende verschijning bij een barokke spiegel;


‘Ich bin herrlich, ich bin schön’.


Niets in deze cantate toont iets van aardse zorgen, mogelijk is alleen de lengte van Bach’s reprises hier wat veel van het goede. 


Mooie blazers horen we bij Harnoncourt, een mooie jongenssopraan namelijk dezelfde Peter Jelosits die al eerder opviel. Alleen tekstueel is het wat eigenaardig om deze aria uit een jongensmond te horen; 'Ich bin herrlich, ich bin schön'. Ach ja, het Leonhardt-Harnoncourt purisme uit de 70er jaren is hier wel iets te ver doorgeschoten, dat mogen we toch wel vaststellen. Maar dan klinkt daar een erg mooi duet waarin de hymne 'Wie schön leugnet der Morgenstern' te horen is. 


Er bestaat ook een uitvoering door Het Ensemble Baroque de Limoges o.l.v. Christophe Coin. Deze gaat nogal gelijk op met de uitvoering door Rilling. Die is instrumentaal wat prettiger maar heeft een nadeel in z'n bezetting. 'Ich stehe vor der Tür' zo horen wij de bas hier zingen tot de sopraan maar wie op dat moment Philippe Huttenlocher aan de andere kant vermoed zal nog even wachten met opendoen, lijkt mij zo. Gek toch, nooit heb ik een foto van deze man gezien maar ik heb hier een eigenaardige voorstelling bij....... 













cantates de cantates de cantates  hierna cantate 98