Monogram Johann Sebastian Bach









ook voor de negentiende zondag na Trinitatis

bwv 5 wo soll ich fliehen hin

bwv 56 ich will den Kreuzstab gerne tragen





Dichotomie, hemiool, juxapositie? Zijn dit bekende begrippen of vragen we ons wellicht af wat de betekenis ook weer zou kunnen zijn? Onderaan deze pagina staat een korte verklaring. Deze begrippen zijn ook terug te vinden in de woordenlijst die bij de website hoort. 

‘Ich elender Mensch, wer wird mich erlösen’ is een cantate voor de 19e zondag na Trinitatis. Het is oktober 1723 en we naderen het eind van het Trinitatis seizoen. Steeds meer valt de nadruk op de toorn Gods en op allerlei hardnekkige issues betreffende het geloof maar vooral ook de twijfel aan dat geloof. Terwijl buiten de herfst steeds meer plaats moet inruimen voor de winter wordt het karakter van de aangeleverde teksten grimmiger, steeds meer wordt onderstreept hoe de wereld door de gelovige verworpen moet worden in het vooruitzicht van een eventuele vereniging met God - dan wel de verschrikking van het buitengesloten zijn. Van week tot week wordt deze dichotomie (daar is het woord) steeds ruwer. 

Voor de 19e zondag na Trinitatis focust de bijbellezing, in de Efeziers, op Paulus’ compromisloze juxtapositie (!) van een zuivere geest en een corrupt lichaam, terwijl het Evangelie (genomen uit Mattheus) verhaalt over de verlamde man en over het wonder van zijn genezing door Jezus.

‘Ich elender Mensch, wer wird mich erlösen

Als zo vaak is Bach degene die de ernst van deze woorden niet alleen verzacht maar ze ook menselijker maakt zonder overigens aan hun impact iets af te doen. Hij bezit een onmiskenbare handigheid om nu juist die indoctrinerende boodschap te verlevendigen, maar ook om ze ons aan te leveren middels een dramatisch gebaar, waarbij hij dan toch de juiste balans kan vinden in de muziek die tegelijkertijd bij hem ook verzachtend kan zijn. Maarten 't Hart over de opening van deze cantate: 

“Het koor zingt somber op die voor Bach zo typerende dalende chromatische noten: 'Ich elender Mensch, wer wird mich erlösen', en het orkest gaat daar dwars tegenin met een buitengewoon lieflijke, alle ellende ontkennende melodie. De tekst van dat eerste deel is afkomstig uit Rom. 7:24. 'Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods?' De vier stemmen van het koor zingen na elkaar het thema. Dat begint met een sext-sprong, dezelfde interval als in de aria 'Erbarme dich' uit de Matthäus Passion”.

En dan biedt Bach tegenover al die wrange vragen uit de teksten van Paulus zijn luisteraars toch de troost van Johann Heerman’s hymne Herr Jesu Christ, ich schrei zu dir’ een lied dat speciaal voor deze zondag bestemd is en voor alle gelovigen hier bijeen heeft dat een overvloed van aangename associaties. Bach injecteert het openingskoor met allerlei instrumentale citaten uit die hymne. Maar er klinkt ook nog een ander lied wat herkent zal worden. In de hobo en in de trompet is reeds de melodie uit het slotkoraal te horen.

Daarna volgt het met strijkers begeleidde alt-recitatief (2). Hier wordt duidelijk dat voor Bach de lijdende gelovige staat voor de verlamde man uit het Mattheus Evangelie. Via een pad van velerlei onstabiele chromatische harmonieen is het de alt die hier een gevoel weet op te roepen van een dodelijke triestheid, vol twijfel. Een fatale scheiding is het van lichaam en ziel. Daarna is het nu volgende koraal een perfect vervolg hierop, juist waar het uitdrukking geeft aan het ‘brünstig Seufzen’ waarmee de alt zojuist heeft afgesloten.

Waar de verlamde genezen is en de dolende gelovige met ‘vernieuwde geestkracht’ verder gaat ligt de tweede helft van deze cantate veel makkelijker in het gehoor. Zo kan de alt-aria (4), waarin zanger en hobo een hecht duo vormen, de indruk geven van een intieme conversatie tussen de gelovige en zijn God. En elke mogelijke verwijzing naar eerdere ziekte wordt verjaagd door de helende kracht van de Heiland in de tenor-aria die volgt. En hier, nadat Bach eerst een regelmatig patroon van afwisselend 3/4 en 3/2 maten heeft opgezet voegt hij plotseling een serie extra hemiolen toe (!) die het toch al ongewone ritmische patroon beïnvloeden. Wil hij hiermee veranderingen in het spreken verbeelden? Is dit mogelijk een teken van herstelde gezondheid, een vieren van herstel van lichaam en geest? Hierna werkt het ongecompliceerde maar harmonisch zeer rijke koraal wat in het openingsstuk reeds aangekondigd werd als een reinigend balsem. 

Deze cantate hoorde ik op 29 oktober 2000 in de Westerkerk als besluit van een Amsterdam-weekend. Ik vind hem op dat moment als geheel niet zo indringend en eerlijk gezegd is dat nog steeds zo. 

 


Voor bovenstaande tekst heb ik gebruik gemaakt van informatie van Christoff Wolf en (vooral) van John Elliot Gardiner. 

 

 

 

 

 



Dichotomie - Een dichotomie is de opdeling in twee niet-overlappende structuren of begrippen. De term komt van het Griekse dichotomia, wat tweedeling betekent. De term wordt in uiteenlopende wetenschapsgebieden gebruikt, waaronder de filosofie, sociologie, politicologie, biologie en wiskunde. 

Juxtapositie - Juxta, iuxta (Latijn). De juxtapositie is vooral bekend in de muziek en in de schilderkunst, bedoeld als contrast maar, hoewel minder voorkomend, zijn juxtaposities soms ook bedoeld om een overeenkomst aan te geven. Door twee dingen naast elkaar te plaatsen kun je verschillen en overeenkomsten duidelijker zien. Je kunt er echter ook verbanden door laten zien of suggereren. 

Hemiool - In de muziek is een hemiool of hemiola (Grieks: hèmiolos = anderhalf, samengesteld uit hèmi = half, holos = heel) een ritmische accentverschuiving die bijvoorbeeld ontstaat wanneer in een driedelig metrum een tweedeling wordt ingebracht, door vervroeging van de klemtoon van de eerste naar de voorafgaande derde tel en het plaatsen van een nieuw accent op de volgende tweede tel. Het gevolg is dat twee drietelsmaten geteld worden als drie tweetelsmaten, zonder overigens dat dit blijkt uit de genoteerde maatstrepen of maataanduiding. De hemiool is een antimetrische figuur. Ook andere antimetrische figuren worden wel hemiool genoemd, zoals het tellen van drie tweetelsmaten als twee drietels of twee driekwartsmaten als een drietweedemaat. 

Telt men bijvoorbeeld een drietelsmaat 

hoem-pa-pa | hoem-pa-pa | hoem-pa-pa | hoem-pa-pa | hoem-pa-pa | 

als 

hoem-pa-pa | hoem-pa-pa | hoem-pa-hoem |pa-hoem-pa | hoem-pa-pa | 

dan vormen de derde en vierde maat een hemiool. 



 




verder naar cantate 109 >>  de cantates de cantates de cantates de cant