meer cantates voor deze zondag

bwv 114 ach lieben Christen, seid getrost

bwv 148 bringet dem Herrn Ehre seines Namens




Gecomponeerd voor: 13 oktober 1726

Uitgevoerd op: de 17e zondag na Trinitatis

Tekst: Johann Friedrich Helbig (1720) Deel 1: Lucas 14, 11 Deel 5: vers 11 van de hymne 'Warum betrübst du dich, mein Herz' (auteur onbekend, 1561) 


Een nieuwe naam, deze tekstdichter. En het is een eenmalig genoegen voor Bach want hij zal hierna nooit meer een tekst van deze heer Helbig gebruiken. Werkzaam als secretaris in overheidsdienst te Eisenach is het blijkbaar een uitdaging voor deze man om ook cultureel actief te zijn wat uiteindelijk resulteert in een collectie cantateteksten onder de titel ‘Aufmunterung zur Andacht’. Bach’s collega Telemann, die blijkbaar helemaal niets om teksten geeft, zet vele epistels van deze Helbig op muziek. Waarschijnlijk neemt Bach deze cantatetekst, behoefte aan een experimentje, over van Telemann. 


Zeer vele cantates voor de zondagen na Trinitatis hebben enkele dingen gemeen; het gebruik van het orgel als concertante-instrument en een breed uitgewerkte opening in de vorm van een gecompliceerde fuga. Maar in deze cantate lijkt het openingsthema verwikkeld te zijn in een welhaast eindeloos voortdurende expansie. Aan de inzet van het koor gaat zo'n lang ritornel vooraf dat het haast lijkt alsof Bach ervoor terugschrikt om de woorden 'Wer sich selbst erhöhet, der soll erniedriget werden' te gaan toonzetten. Bij 'erhöhet' laat hij de stemmen geleidelijk omhoog lopen, bij 'erniedriget' omlaag. Eigenlijk is dat ietsje te voorspelbaar en te vanzelfsprekend, maar ja, 't blijkt toch weer grandioze muziek te zijn. 


In de aria's wordt hetzelfde eenvoudige, zeer beeldende procédé toegepast. De eerste, een sopraan-aria, combineert velerlei stemmingen, zacht en vloeiend, kunstzinnig is het maar toch ook met een aards ritme. Zowel nederigheid als trots klinken erin door. Een jongenssopraan kan zoiets eigenlijk niet zingen. Dat concertante orgel wat we hier horen heeft Bach in een latere versie (in 1730) herschreven voor viool. Dat is waar Harnoncourt en ook Gardiner in hun uitvoering voor kiezen. Overigens is het niet zeker dat deze aria bij de eerste opvoering ook werkelijk is uitgevoerd. Mogelijk is het bij repetities gebleven en wordt het stuk ter elfder ure geschrapt als blijkt dat de uitvoerenden (misschien is daar een jongenssopraan bij) toch iets te kort komen voor deze veeleisende partij. Voor het geheel van de cantate maakt het niet veel uit. De overblijvende delen bewandelen exact hetzelfde pad en met het achterwege laten van deze aria resteert alsnog een coherent geheel. 


Maar dan. Van de tekst van het basrecitatief (‘der Mensch ist Kot, Staub, Asch' und Erde’) zegt Schweitzer:


“Muss für eine moderne Aufführung unbedingt etwas verändert worden.” 


Waarom? Is de mens dan geen stront, stof, as en aarde? Als Schweitzer bedoeld dat hij Helbigs tekst niet zo fijnzinnig vind dan heeft hij misschien gelijk. Maar een mooi tijdsbeeld geeft het wel en we moesten het maar zo houden. 


De daarop volgende bas-aria mist het gebruikelijke da capo, mogelijk dankzij de lengte van de tekst. 


Het finale koraal mag dan simpel zijn, dat betekent geenszins dat Bach zijn gebruikelijke en hoogstpersoonlijke interpretatie van de tekst achterwege laat. Vooral in het middendeel hanteert hij gewaagde harmonische combinaties, zodoende een duidelijk standpunt innemend als het gaat over de 'eeuwigheid' en over een 'pijnlijke bittere dood'. 


Commentaren op cantate 47 gaan steeds zeer uitgebreid in op het openingskoor. Bach schrijft dan ook maar weinig koren die zo machtig en zo monumentaal zijn als juist dit werk. Whittaker, Gardiner, ze beschrijven uitvoerig en vol bewondering met name de technische aspecten van deze koraalfuga. Nee, ik ga dat hier niet navertellen. Wel van belang is wellicht te weten dat het stuk zowel voor wie op het podium staat als ook voor de toehoorder niet op het eerste gehoor heel aantrekkelijk blijkt te zijn. Het vraagt tijd en moeite om er vertrouwd mee te raken en de kracht en de potentie die het werk ongetwijfeld heeft treedt pas later naar voren. De waardering voor deze cantate blijft bij mij dan ook lang uit. Wel maakt Arleen Auger - als zo vaak - grote indruk in de sopraan-aria. Wat een stem is dat. Er prijken twee schappen met fel-blauwgetinte Rilling-opnames in mijn cd-verzameling, alleen al door Arleen Auger zijn die de moeite waard. Nogmaals dank aan de gulle gever (d.i. Christ Bolders te Bergen op Zoom).






Da Capo - Een muziekterm afkomstig uit het Italiaans en het betekent vanaf het begin. Da Capo of afgekort D.C. wordt doorgaans boven de laatste maat geschreven. De speler wordt dan verondersteld alles vanaf het begin nog een keer te spelen. Een uitbreiding is vaak: da Capo al Fine: speel alles vanaf het begin tot aan het woord Fine. 





de cantates de cantates de cantates de cantates cantates verder met cantate 169