andere cantates voor hemelvaartsdag  bwv 128 auf Christi Himmelfahrt allein

bwv 37 wer da gläubet und getauft wird

 bwv 11 lobet Gott in seinen Reichen



We zijn met deze cantate in Bach’s derde cantatejaar te Leipzig. Hij schrijft in dit derde jaar niet langer wekelijks een cantate. Tussen 2 februari en 15 september 1726 voert hij maar liefst 18 cantates uit gecomponeerd door zijn neef Johann Ludwig Bach. En in deze zelfde periode speelt hij slechts 7 werken van zijn eigen hand, waaronder deze BWV 43, een cantate geschreven voor de Hemelvaartsdag. 

De hedendaagse muziekliefhebber zal zich afvragen waarom Bach een zo groot aantal composities van anderen uitvoert, composities immers met zoveel minder ambitie. En als we die vraag willen beantwoorden dan blijkt weer eens hoe weinig we eigenlijk weten van Bach, van zijn beweegredenen, van de exacte details van zijn leven. Enkele gegevens zijn bekend en dat biedt de verschillende biografen alle gelegenheid om een eigen invulling te geven aan wat zich hier afspeelt. Lees bijvoorbeeld eens wat Ruth Tatlow hierover schrijft en vergelijk dat eens met de visie van Alfred Dürr.

Ruth brengt een en ander in verband met het conflict over Bach’s salaris, dat speelt juist in deze periode 1725 - 1726. Het gezin Bach is zojuist weer uitgebreid met opnieuw een zoon. En het leven als Thomascantor wordt er niet makkelijker op. De kosten van levensonderhoud in de grote handelsstad Leipzig zijn aanzienlijk hoger dan ze waren in de kleine stad Köthen waar de familie vandaan komt. Bach heeft daarom zijn werkzaamheden uitgebreid. Hij is al een tijdje bezig met het leveren van muziek, niet alleen aan de Thomaskirche maar ook aan de kerk van de universiteit en hij wil hier - volgens afspraak - een evenredig salaris voor ontvangen. Blijkbaar zijn het de lokale authoriteiten die hem daarin dwarsbomen, er ontstaat een zeer langdurige strijd over. Eind 1725 doet hij uiteindelijk een beroep op de koning om een regeling te bewerkstelligen. Deze steunt hem, in januari 1726 laat de vorst weten dat Bach zijn volledige salaris moet ontvangen. Een morele overwinning voor de Thomaskantor. En vervolgens stopt Bach dan zijn cantateproductie tot hij in mei ter gelegenheid van de Hemelvaartsdag weer verder gaat. Is het een juiste veronderstelling dat het conflict dan is opgelost, dat het achterstallige salaris is toegekend en dat de componist nu al zijn taken weer opneemt? De vraag stellen is hem beantwoorden, voor Ruth Tatlow is het duidelijk. 

Alfred Dürr veronderstelt iets geheel anders. In zijn verhaal komt het er op neer dat de wittebroodsweken in dit derde cantatejaar te Leipzig zowel voor de componist als voor de toehoorders inmiddels voorbij zijn. En het is nu de vraag of de hoge ambities van Bach en de toch wat meer eenvoudige behoeften van de Leipziger kerkganger nog wel zo goed op elkaar zijn afgestemd. Die gecompliceerde programmamuziek voor de kerkdiensten, is die eigenlijk niet meer voor het scherpe verstand bedoeld en veel minder voor het devote oor? Hoe is het inmiddels gesteld met de waardering voor de Thomascantor? Het is wel duidelijk hoe Dürr dit ziet; Bach's hoogst individuele en complexe vormen van expressie zouden de luisteraar, gezeten in zijn kerkbank, gemakkelijk onzeker kunnen maken. En de componist weet dat inmiddels. En op dit moment heeft Bach al vele doelen die hij zichzelf gesteld heeft bereikt. In zijn eerste jaar te Leipzig het uitvoeren van zijn eigen composities, elke zondag, zowel nieuw geschreven werken als ook bewerkingen uit zijn Weimar en Köthen periode. In zijn tweede jaar zijn ambitieuze plan om voor alle opeenvolgende zondagen koraalcantates te componeren. Daarna lijkt hij geen librettisten meer te kunnen vinden, of degenen die hij nog heeft spreken hem niet langer aan. Dus, zo schrijft Dürr, waarom zullen wij niet aannemen dat hij in deze periode gewoon een pauze nodig heeft? En omdat hij wel verplicht is elke zondag een cantate uit te voeren valt hij terug op het werk van zijn neef. En als hij toch zelf een cantate schrijft dan maakt hij gebruik van de collectie teksten waaruit neef Johann Ludwig zijn libretto's neemt. Deze collectie (de auteur is onbekend) verschijnt in dit jaar 1726 in druk. 

Tot zover Ruth en Alfred met hun biografische notities over deze periode. Laten we het maar over de muziek hebben. De cantate voor deze Hemelvaartsdag bestaat uit 
de volgende onderdelen. 


Bijbeltekst (Oude testament) - Recitatief - Aria - Bijbeltekst (Nieuwe Testament) - Strofisch gedicht - Koraal 

Erg veel tekst. Die toevoeging van een strofisch gedicht, op traditionele wijze op muziek gezet als simpele strofische aria’s (dat wil zeggen zonder de op dit moment in zwang zijnde da capo vorm) zou tot een wat archaisch geheel kunnen leiden. Toch dient Bach deze verouderde conventies niet; hij plaatst elk vers van deze uitgebreide cantate in een individueel vormgegeven aria of recitatief. Dit brengt hem in de onhandige positie dat de aria’s maar betrekkelijk kort mogen zijn, zonder het gebruikelijk da capo van de beginsectie, tenminste als hij niet de gebruikelijke 30 minuten die de kerkdienst voor een cantate reserveert wil overschrijden. 

De beknoptheid van die aria’s staat dan weer wel in groot contrast met het magnifieke arrangement van het openingskoraal. De tekst, in twee delen wordt uitgevoerd in vier deelsecties: 

 I. “Gott fähret auf.....” Twee opeenvolgende fuga exposities.
II. “Lobsinget......” Homofoon deel gevolgd door een derde fuga.


Bij de aria’s is vooral de virtuose trompetpartij bij het zevende deel indrukwekkend. In een latere uitvoering laat Bach de trompetpartij op de viool spelen, het is een zeer veeleisend stuk en er is zeker niet elke week een musicus beschikbaar die dit kan waarmaken. 

Wat mij betreft is BWV 43 één van de minder geinspireerde cantates van Bach. Ik betitel het in mijn eerste schrijfsels als ‘een onsamenhangende reeks 'stukjes' waarbij zich nooit iets moois ontspint’. Nou, dat is dus wel een erg uitgesproken opvatting. Waarschijnlijk wordt dit ook wel ingegeven door de uitvoering van Harnoncourt en consorten, mijn eerste kennismaking met het werk, wat zij daar doen valt immers niet altijd mee. 

Later schaf ik een nieuwe versie aan en ook hier weet John Eliot Gardiner er meer van te maken. Er wordt mooi gezongen, m.n. door de tenor met die schitterende gepuncteerde strijkers (
‘Tausend mal tausend mal’). En het koor is fabuleus! Maarten merkt in zijn recensie van deze cd op dat het beginkoor steviger, gespierder had gemogen. Maar dat blijkbaar John Eliot vooral het gejuich van de opstijgende Heiland wilde laten doorklinken. En in de alt-aria is Michael Chance in topvorm. 

De tenor-aria (wat mij betreft het hoogtepunt van de cantate) heb ik ook nog in een versie door Ian Bostridge. Toch is daar een soort geforceerde opwinding die dan wat minder bevalt. Beter is dan de laat ik maar zeggen ‘devote blijdschap’ van Helmut Krebs die figureert in een nogal archaische opname uit 1961 o.l.v. Fritz Werner. Dat is wat mij betreft de opname die het op alle fronten wint. Nu is het ineens een mooie cantate, BWV 43. Hierna volgt dan
cantate 129











Da Capo - een muziekterm afkomstig uit het Italiaans en het betekent vanaf het begin. Da Capo of afgekort D.C. wordt doorgaans boven de laatste maat geschreven. De speler wordt dan verondersteld alles vanaf het begin nog een keer te spelen. Een uitbreiding is vaak: da Capo al Fine: speel alles vanaf het begin tot aan het woord Fine.