andere cantates voor nieuwjaarsdag   bwv 16 herr Gott, dich loben wir

bwv 143 lobe den Herrn, meine Seele

bwv 171 Gott, wie dein Name, so ist auch dein Ruhm


Alle kerkelijke feestdagen zijn afgeleid van oorspronkelijk wereldse feesten, zo is het kerstfeest een christelijke versie van het midwinterfeest maar ook Pasen en natuurlijk carnaval zijn omvormingen van oorspronkelijk ‘heidense’ feesten. Het is niet zo bekend, maar ook Nieuwjaarsdag is door de kerk ingelijfd geweest als een kerkelijke feestdag, het feest van Jezus’ besnijdenis, 8 dagen na zijn geboortedag. Dat het uiteindelijk niet geaccepteerd is als kerkelijk feest heeft waarschijnlijk als oorzaak dat we het niet zo’n prettig idee vinden, het vieren van de besnijdenis van de joodse jongen Jezus. Maar in Bach’s tijd ligt dat anders.

Een koraalcantate, gecomponeerd voor Nieuwjaarsdag 1725, gebaseerd op een driedelig koraal waarbij Bach de eerste en de laatste strofe integraal gebruikt en het middelste deel bewerkt tot aria's en recitatieven. Een voor ons inmiddels bekend stramien. En ook nu weer is de resterende tekst (de tweede strofe in dit geval) door een onbekende tekstschrijver omgewerkt tot aria’s en recitatieven. Jaren later zal Bach de originele tekst van die tweede strofe alsnog integraal gaan gebruiken, hij combineert haar dan met de derde (het slotkoraal van BWV 41) en komt zo tot de finale van cantate 171. En het is inmiddels wel duidelijk dat deze hymne ‘Jesu, nun sei gepreiset’ (geschreven door Johannes Hermann in 1591) bijzonder populair is in Leipzig want vervolgens gebruikt Bach deze hymne ook nog in een derde Nieuwjaarscantate te weten ‘Singet dem Herrn ein neues Lied’, BWV 190.

Het openingskoor bevat alle karakteristieke elementen van Bach's koraalbewerkingen; lange nadrukkelijke noten bij de sopranen vergezeld van een levendige, imiterende ondersteuning door de andere partijen, alles gevat in een concertante orkestrale partij. Vanwege de extreme lengte van dit introductiekoor deelt Bach het laatste deel van de strofe (zin 9 - 14) op in een homofone sectie overgaand in een sectie in motetstijl. Dat horen we bij ‘guter Stille’ waar het koor tot rust komt en ook het orkest wordt daar meer terughoudend. In de volgende vier regels kiest Bach de vorm van een fuga met als bekroning de cantus firmus van de sopranen. En in een reprise worden dan de eerste twee zinnen herhaald waarmee het feestelijke, grootschalige maar zeer gedetailleerde koorwerk wordt afgerond. Het trompetmotief wat we hier horen zal later in het finale vier-stemmige slotkoraal terugkomen.

Aangezien dat slotkoraal zo sterk refereert aan die introductie kan het eigenlijk geen toeval zijn dat Bach gebruik maakt van een zeer contrastrijke instrumentatie voor de twee aria's, beide worden gekenmerkt worden door een meer intieme sfeer. De koraalmelodie van het hobo-trio in de eerste aria contrasteert vervolgens ook weer sterk met die breed uitgemeten gebaren van de violoncello piccolo in aria twee. Violoncello piccolo? Jawel, een nieuw instrument is dat, een vinding van Bach himself waarmee hij tien weken eerder debuteert namelijk in cantate BWV 180. De violoncello piccolo is een 5-snarig solo instrument. Bach slaagt er met dit instrument in om het middenregister een zeer brede range van tonen mee te geven en daarmee een overvloed aan melodische flexibiliteit.

Voor het slotkoraal aanvangt vestigt Bach in het recitatief de aandacht op het ‘verpletteren van Satan onder onze voeten’ door middel van een zeer onverwachte koorinterventie bij de bassolo. Dat is wel een heel ongebruikelijk middel.

 

Het is wel duidelijk dat ik niet direct gecharmeerd ben van deze cantate. De kennismaking verloopt via Harnoncourt. Wat een penetrant, nerveus begin met al dat koper, en zo lang! Jammer, want daarna volgt een schitterende cantate, vooral door de sopraan-aria (een prachtig jongetje) tot aan het slot waar het koper weer tevoorschijn gehaald wordt. Die Harnoncourt-versie is vooral door dat jongetje erg mooi; een aandoenlijk naïeve uitvoering is dat.  Maarten 't Hart is het met mij eens want hij noemt die sopraan-aria in 6/8 maat, als voorafschaduwing van de tenor-aria uit 85, bijzonder mooi.



>>hierna volgt 'Liebster Immanuel, Herzog der Frommen' BWV 123