meer cantates voor Tweede Kerstdag

bwv 121 Christum wir sollen loben schon

bwv 57 selig ist der Mann


In veel landen, ook bij ons, is de gewoonte om de kerstviering over twee dagen uit te spreiden tot ver in de 20ste eeuw gehandhaaft. In de tijd van Bach telt men zelfs drie kerstdagen. Als het kerkelijk jaar zijn hoogtepunt bereikt en het kalenderjaar ten einde loopt wil men blijkbaar een cumulatie ervaren van kerkelijke hoogtijdagen nààst alle andere feestdagen. Bach kan ooit zijn - maar liefst - zesdelige kerstoratorium componeren omdat hij genoeg dagen tot zijn beschikking heeft voor de uitvoering. Anderzijds, de kerkmusicus moet toch ook op zijn werklast letten, en niet alleen op die van hemzelf. Gelukkig geeft de advent wat speelruimte, immers, in deze periode wordt, althans in Leipzig, geen concertante kerkmuziek uitgevoerd. Maar toch, we zijn in het jaar 1723 aangekomen, het eerste jaar waarin Bach hier als dirigent/kerkmusicus optreedt en het moet gezegd worden; de hoeveelheid werken voor deze periode is indrukwekkend. De hier beschreven cantate BWV 40 is bedoeld voor tweede kerstdag. Voor de derde kerstdag is daar BWV 64, gelukkig valt die dit keer op een zondag, dat scheelt. Maar op Nieuwjaarsdag wordt BWV 190 uitgevoerd en op de zondag daarna BWV 153 en met Driekoningen BWV 65. Het wordt nu wel begrijpelijk dat Bach voor de eerste kerstdag terugvalt op zijn eerder in Weimar geschreven cantate BWV 63 waarmee het aantal nieuwe cantates toch nog komt op 6 in een tijdsbestek van 14 dagen. 


Cantate BWV 40 laat zich leiden door èèn strikt theologische gedachte; de zondeval in het paradijs, die alleen door het lijden van Christus op te heffen is. De titel komt uit de eerste Johannesbrief 3 vers 8. “Hiertoe is de Zoon van God geopenbaard, opdat Hij de werken des duivels verbreken zou”. Deze strijd wordt in een aantal delen van de cantate duidelijk hoorbaar gemaakt en is vol bijbelse verwijzingen. Het feestelijke karakter veroorzaakt door het gebruik van hoorns in het eerste deel zal later worden hernomen in de tenor-aria. Opmerkelijk is ook het aantal koralen. Dat zijn er maar liefst drie terwijl de meeste cantates slechts één slotkoraal kennen. Twee van de drie koralen zijn afkomstig uit een kerstlied. Het eerste koraal “Die Sünd macht Leid” is het 3e couplet van het lied “Wir Christenleut” van Kapspar Füger (1592). Het slotkoraal “Jesu, nimm dich deiner Glieder” is het 4e couplet van het lied “Freuet euch, iht Christen alle” van Christian Keymann (1645). Het koraal “Schüttle deinen Kopf und sprich” is couplet twee van het lied “Schwing dich auf zu deinem Gott” van Paul Gerhardt (1653). 


Het indrukwekkendste deel van deze cantate is, zoals vaak bij Bach, het openingskoor. Na een instrumentale inleiding horen we het koor dat het instrumentale thema overneemt in korte homofone uitroepen ‘Dazu ist erschienen’ in dialoog met de instrumenten gevolgd door enkele polyfone maten die plotseling overgaan in het unisono gezongen ‘daß er die Werke des Teufels zerstöre’ eindigend in een snelle 1/16 beweging. Ze worden onmiddellijk gevolgd door een mooie fuga op een ander thema. De tenoren zetten in, slechts ondersteund door continuo begeleiding, waarna één voor één de inzetten van de andere zangstemmen volgen en de instrumentale partijen krijgen weer een grotere rol. De inzetten volgen elkaar steeds sneller op. Opmerkelijk is dat tegen het eind van dit fugatisch deeltje de altpartij ver boven de sopraan uitkomt. Op een heel vanzelfsprekende manier gaat dan de fuga over in het thema waarmee de koorinzet begon. 


Hierop volgt een krachtig recitatief (2) dat uiteindelijk zal afdalen naar een somber B-mineur en dat op weg daarheen al die tegenstellingen weerspiegelt waar Johannes in zijn teksten zo van houdt; donker en licht, het Woord en het vlees. Hier gaat het over het afdalen van Jezus zijnde de ‘machtige Zoon van God... om een klein schepsel te worden.’   


Na een koraal  volgt het centrale deel, de dramatische bas-aria (4), die geheel focust op Jezus’ strijd, namens ons, met de duivel. Hier wordt ‘afgerekend’ met de helse slang, het beest uit Genesis 3; 15. De bas lijkt hier, vanaf een veilige zijlijn, het slijmerige monster te bestoken. Wiegende ononderbroken zestienden horen we hier, uiteindelijk dalen ze verder af bij de woorden 'Der den Kopf als ein Sieger zerknickt'. Nu heeft de komst van Christus naar deze aarde de duivelse macht gebroken. 


Hierna volgt het alt-recitatief (5). Beschouwend is  het en slechts voorzien van een strijkersbegeleiding is dit het enige rustige deel van de cantate. Opnieuw volgt een koraal waarna in de tenor-aria (7) de overwinning op het kwade wordt bezongen op een tekst uit Mattheüs 23 vers 37. Een eenvoudig stuk is het zeer zeker niet. Zowel van tenor als blazers wordt veel gevraagd. Het muzikale thema grijpt terug naar het openingsdeel. Het slotkoraal staat vervolgens  in groot contrast met deze aria en poogt de overwinning op het kwaad tot uitdrukking te brengen. 


Over deze cantate meldt John Eliot Gardiner ons dat Bach zich vergist in de dagen. Immers, hij moet op deze tweede kerstdag uit het Mattheus Evangelie citeren, maar hij gebruikt hier teksten die bedoeld zijn voor de derde kerstdag afkomstig van de evangelist Johannes. Ongetwijfeld zal de dienstdoende predikant het opmerken. Immers, die preekt nu uit een ander Bijbelboek. Maar ach, maakt het voor ons iets uit? Het is werkelijk heerlijke muziek die we horen, inventief, ontroerend hier en daar met hoorns, prachtige klanken dit keer ook bij Leonhardt. Een opgeruimde cantate met hier en daar een klein stukje drama. Ik geloof nu toch echt dat ik de opname van Leonhardt hier mooier vind dan de Rilling-versie ondanks de heel erg mooie opnametechniek aldaar. Blijkbaar moet dit gespeeld worden op authentieke instrumenten en wel in dit tempo. Leonhardt laat ook Werner ver achter zich. Dit moet niet massaal uitgevoerd worden maar soepel, kamermuziekachtig. Soepel, dat is het bij Gardiner ook.  















verder naar cantate 64 >>