
bwv 31 der Himmel lacht! Die Erde jubilieret
Eén van de vroegste Bach cantates die wij kennen. Dateert waarschijnlijk uit 1708, bedoeld voor uitvoering op de eerste Paasdag. Hier en daar kunnen we lezen dat hij uit 1707 zou zijn, hetgeen betekent dat het de tweede of zelfs de allereerste cantate is die van Bach bewaard is gebleven. We weten het allemaal niet zo zeker. Maar het staat wel vast dat het werk stamt uit Mühlhausen en daarom vind ik 1708 meer aannemelijk. Bach is immers pas in juli 1707 naar deze stad verhuisd, en wel ná Pasen.
Hoewel een koraalcantate - gebaseerd immers op een Luther-hymne uit 1524 met ongewijzigde tekst - behoort ze beslist niet tot het karakteristieke type van de latere Bach cantates (met binnenste delen in de vorm van recitatieven en aria's) maar ze is geschreven in de archaïsche vorm van koraalvariaties wat zoveel wil zeggen dat de koraalmelodie in alle zeven onderdelen verschijnt, soms gewijzigd, soms in onveranderde gedaante. Er komen geen thema's in voor die het koraal 'vreemd' zijn, slechts begeleidende instrumentale figuren die een beweeglijkheid aan het geheel verlenen.
- Het koraal, althans het refrein daarvan. De melodie zit in de sopraanpartij, lagere stemmen volgen imiterend, de violen spelen hier begeleidingsfiguren; het ‘Halleluja’ van de laatste regel wordt uitgebreid tot motetstijl in een versneld tempo.
- Koraalconcerto in kleine bezetting (sopraan, alt, continuo).
- Trio voor violen, tenor en continuo, de koraalmelodie (bij de tenor, de laatste regel wordt vrij behandeld) met een zeer breed uitgewerkte begeleiding.
- Motetstijl, de koraalmelodie (dorische B mineur gaat naar E mineur) in de alt.
- Strijkersarrangement met de bas en continuo. Elke regel van de hymne verschijnt eerst in de bas, daarna in de eerste vio(o)l(en). De laatste regel wordt opnieuw vrij behandeld.
- Koraalconcerto opnieuw in kleine bezetting (ditmaal sopraan, tenor, continuo).
- Eenvoudige vierstemmige koraalzetting, verdubbeld door de instrumenten.
Opvallende kenmerken van deze cantate zijn het sterke verband tussen vorm en tekst die ertoe leidt dat belangrijke woorden beeldend oplichten in het muzikale geheel maar daarnaast ook de heldere symmetrie van het werk (centrale as: deel 4). Mocht voorgaande zin vragen opwerpen lees hem dan nogmaals óf bekijk even het onderstaande schema:
- Chorus
- Duet
- Aria
- Chorus
- Aria
- Duet
- Chorus
Ja?
Maarten 't Hart betitelt deze cantate als een machtig jeugdwerk waarvan de echtheid ooit betwijfeld werd:
"Indrukwekkend, somber, groots, grimmig. Archaïserend van stijl."
En wat een uiteenlopende uitvoeringen zijn er van deze cantate. Bij Gardiner wordt alles door het koor gezongen, nergens is het solistisch. Er bestaat een versie door het Bach Collegium Japan, daar wordt afgezien van de chorus-delen alles door solisten gezongen. Bij de Munchener zangers is alleen de bas aria solistisch.
En wat moeten wij vinden van deze versie door het Munchener Bach-Chor/ Orchester. Deze staat qua uitvoeringspraktijk èn opnametechniek heel erg ver van de andere uitvoeringen af. Een groot koor en orkest, welhaast mechanisch voortbewogen koorzang, soms wel erg rechtoe-rechtaanmuziek is dit. Maar Dietrich Fisher Dieskau zingt hier werkelijk prachtig.
Mooi om dit te vergelijken met Gardiner. Alles wordt daar zó expressief gezongen, zoveel zeggingskracht krijgt het daardoor. Vooral in het chorus (4) is dat werkelijk schitterend.
Daarna is de japanse uitvoering nog wel de meest perfekte, de meest gestyleerde uitvoering die er is. Het koor is klasse! Luister eens wat daar in datzelfde chorus gebeurd. Is het daarmee ook de mooiste? Maarten 't Hart steekt de loftrompet over authentieke uitvoeringen zoals deze van Suzuki. ‘Anders dan bij Harnoncourt hier geen kortademige fraseringen, geen vals zingende jongetjes, geen hobo's die klinken als kwaad kwakende eenden, geen spookachtig krassende strijkers’. Het is waar en Maarten drukt zich prachtig zorgvuldig uit maar toch; deze uitvoering laat mij koud.