Monogram Johann Sebastian Bach





ook voor de eerste zondag na Trinitatis bwv 75 die Elenden sollen essen

bwv 20 o Ewigkeit, du Donnerwort



Deze cantate is, althans zo wil de overlevering, geschreven voor de Salzburger emigranten, lutherse geloofsvluchtelingen die in 1732 uit het Oostenrijkse Prinsaartsbisdom Salzburg verdreven werden. In Duitsland kwamen zij onder andere naar Oost Pruisen, wellicht ook naar het Leipzig van Bach. In de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden kwamen zij terecht in Walcheren en Zeeuws-Vlaanderen. 

In 1727 was in het aartsbisdom Salzburg een nieuwe bisschop benoemd, die over dit gebied ook wereldlijke macht uitoefende. De bisschoppen van Salzburg wilden het bisdom zuiver katholiek houden, waartoe zij op grond van de Vrede van Westfalen (1648) ook het recht hadden, maar in de uitoefening daarvan traden sommigen hard op. De zwaarste vervolging vond omstreeks 1732 plaats tijdens de regering van prinsaartsbisschop Leopold Anton von Firmian (1727-1744). Hij stelde de protestanten voor de keus om terug te keren tot de rooms-katholieke Kerk of het land te verlaten. Op 31 oktober 1731 ondertekende hij een berucht emigratiebevel met als gevolg dat ongeveer 20.000 protestantse inwoners Salzburg moesten verlaten. Hij vaardigde zogenaamde "uittochtsplakkaten" uit, waarmee een nieuwe godsdienstvervolging begon. 

De lutheranen stelden de bisschop daarop een ultimatum: òf volledige geloofsvrijheid, òf het recht om te emigreren. De bisschop zag zijn kans schoon en bepaalde dat emigreren geen recht zou zijn maar een plicht, en wel met onmiddellijke ingang. 

Deze godsdienstcrisis in Salzburg viel samen met het kolonisatieprogramma van koning Frederik Willem I van Pruisen, die de vervolgde lutheranen uitnodigde om zich te vestigen in de onbevolkte streken van Oost-Pruisen, onder andere in Litouwen. Hij stuurde zelfs commissarissen naar Beieren en Württemberg om de vluchtelingen daar op te vangen en naar zijn land te begeleiden. De Pruisische koning hoopte dat ook andere protestantse landen zijn voorbeeld zouden volgen. In Nederland waren het gemeenten in Walcheren en in Zeeuws-Vlaanderen die het initiatief namen. 

De cantate waar we nu aandacht aan besteden, BWV 39, is lange tijd betiteld als een “Vluchtelingcantate”, geschreven in 1732 voor een dienst opgedragen aan de verdreven Salzburgse lutheranen. Een bijzonder verhaal is het, steeds opnieuw vergezeld het de commentaren bij deze cantate. En wat jammer dat het niet op waarheid berust. Onderzoek heeft inmiddels aangetoond dat de cantate reeds voor zondag de 23e juni 1726 geschreven is. Toch is het zo dat het werk zes jaar later een vernieuwde uitvoering krijgt en op die manier een betekenis krijgt die de dichter en componist niet hebben vermoed. 

Cantate BWV 39 is in werkelijkheid geschreven voor een gewone zondag, de eerste die volgt op Trinitatis, het feest van de ‘Drievuldigheid’ en voor Bach is deze zondag het begin van zijn jaarlijkse cantatecyclus. Je zou verwachten dat de cantate voor deze gelegenheid wellicht extra feestelijk zou zijn maar dat is niet het geval. Als de cantate zich verheft boven andere cantates - vele commentatoren vinden dat - dan is dat alleen door haar kwaliteiten. En mogelijk worden die pas goed duidelijk als we tot een nadere beschouwing overgaan. 

In feite bestaat deze cantate uit twee delen, het eerste bedoeld om voor aanvang van de preek uit te voeren, het tweede voor daarna. Deze preek dient te handelen over de parabel van de rijke man en de arme Lazarus, en we mogen er van uit gaan dat Bach opzettelijk deze - zelfs voor hem - ongewone rijkdom aan invallen in een zo nederige gedaante heeft willen presenteren. 

Wat een mooie opbouw heeft dit stuk. Beide delen beginnen met een bijbelcitaat, achtereenvolgens uit het oude en het nieuwe testament. Aan begin en eind van de cantate horen we het koor. Het tweede en het voorlaatste deel zijn recitatieven. Daartussen horen wij drie aria's waarvan de eerste en de laatste een dansant karakter hebben en de middelste, tevens het hart van het hele werk, is de aria voor de bas. Het kan haast niet anders of het is de ‘Vox Christi’ die hier tot ons spreekt. 

Maar het meesterstuk van dit werk is toch wel het openingskoor, groot opgezet en gebruik makend van verschillende compositietechnieken. Bach introduceert het met een klein concert van blokfluiten, hobo's en strijkers en verdeelt het - overeenkomstig de tekst - in drie delen. 

  • 'Brich dem Hungrigen dein Brot'. Het koor zingt eerst een begeleidende partij bij de sinfonia alvorens zich te evolueren tot een eigen motief. Door het woord 'Brich' door twee koorgroepen na elkaar te laten zingen, wordt hier het breken van het brood verbeeld. Het woord 'Elend' gaat vergezeld van dissonanten en chromatiek. 
  • Bij 'so du einen nakket sehest' verandert de maatsoort van driekwart naar een vierkwartsmaat. Er ontstaat hierdoor een meer doorlopende beweging, duidelijk waarneembaar in de basso continuo.
  • 'Alsdann wird dein Licht herfürbrechen'. Bach wijdt een welsprekend gestructureerde virtuoze fuga aan de kracht van het licht dat nu aanbreekt. Voor deze derde zin gebruikt Bach een dansante drieachtste maatsoort. In de tekst (en ook in de muziek) herkennen we het aanbreken van de dag ('Morgenröte'). Helemaal feestelijk wordt het bij 'und die Herrlichkeit des Herrn..' waarbij wederom fugatisch met uitgebreide coloraturen de tekst wordt uitgebeeld. De orkeststemmen doen hieraan uitbundig mee. Na een laatste hoge inzet van de sopranen sluiten alle stemmen en instrumenten dit indrukwekkende eerste deel af. 

Er is meer schoonheid in deze cantate. Bijvoorbeeld de bas aria (4) waar de onderliggende beweging in drieën lijkt te zijn in plaats van in tweeën, die erg mooie sopraan aria (5) begeleid door twee unisono blokfluiten, het treffende alt recitatief. Maar toch zijn ze allen wat klein naast die grootsheid, kracht, verbeelding van dat openingskoor, elke frase van de tekst wordt daar vertaald naar muziek van de allerhoogste kwaliteit. 

Het mooie van dat zo treffend beschreven beginkoor is eerst volledig aan mij voorbijgegaan, zo kan ik nu melden. Ik zie er een soort van humor in die me niet aanspreekt, en muzikaal vind ik het niet bijzonder. En niet zozeer kerkmuziek. Pas bij de alt-aria (met hobo) vind ik het mooi worden. Alhoewel de mannelijke alt in de Leonhardt-versie (René Jacobs) het af moet leggen tegen de vrouwelijke (Gabrielle Schreckenbach) bij Rilling. Echt mooi wordt het als de sopraan ten tonele verschijnt (Arleen Auger) met die hemelse blokfluiten daarbij. En ja, als dan later 'the English Baroque Soloists' hun versie op de markt brengen en weer later hoor je Fisher Dieskau die bij Richter opduikt, ja dan... Alle twijfel verdwijnt.

De cantate eindigt met een mooie versie van wat ik nog steeds ken als psalm 42. Bij de engelsen klinkt dat als was het werkelijk afkomstig uit de hemel. En hierna volgt dan cantate 88.








Salzburger emigranten