eveneens voor de eenentwintigste zondag na Trinitatis

bwv 109 ich glaube, lieber Herr

bwv 98 was Gott tut, das ist Wohlgetan

bwv 188 ich habe meine Zuversicht


Het koraal ‘Aus tiefer Not schrei ich zu Dir’ is een berijming van Psalm 130, ook wel bekend in haar Latijnse versie als ‘De Profundis clamavi’. Het is in Bach’s tijd een uiterst populair lied, het werd in 1524 door Maarten Luther himself gepubliceerd in zijn ‘Geystlich Gesangk Buchleyn’, in Wittenberg natuurlijk (nu gaat er voor elke protestant een waaier aan herinneringen open). Bach componeert op basis van dit lied een koraalcantate, bestemd voor de 19e oktober van het jaar 1724. Zoals gebruikelijk is in koraalcantates neemt Bach voor het openingskoor en voor het slotkoraal letterlijk de koraaltekst over. De overige teksten (de ‘binnenverzen’) worden herschreven tot aria’s en recitatieven. Over het waarom van die bewerkingen schrijft Eduard van Hengel op zijn web-site het volgende:

 

"Al luisterend naar opnieuw een koraal-cantate zullen wij ons vroeg of laat afvragen waarom het toch nodig is dat die binnenverzen, die immers metrisch en berijmd zijn, worden herschreven. Zijn ze niet geschikt voor recitatieven en aria's? In ‘technische’ zin, d.w.z. qua metrum, rijm, verslengte zijn de oorspronkelijke koraal-teksten inderdaad niet minder geschikt dan de teksten die Bachs tekstdichters aanleveren. Maar er is blijkbaar een ‘ongeschiktheid’ die inhoudelijk van aard is. Bij de klassieke koraalteksten ontbreekt het piëtistische sentiment en de affektgeladen inhoud waaraan Bach, de superieuren van Bach, de toehoorders, blijkbaar behoefte hebben. Dat wordt pas goed duidelijk als we de oude koraalteksten, die van Luther zelf, vers voor vers vergelijken met wat Bachs tekstdichter er van maakt. Dan zien we (b.v. in de tekst van BWV 38) dat hij begrippen toevoegt als 'Sündengreuel', 'ein geängstigtes Gemüte', 'Satans Trug und List' en een 'Nacht der Not und Sorgen'. Woorden als Leiden, Trübsal, Ketten, Unglück, ze mogen niet ontbreken in een Bach cantate, ze horen bij zijn leefwereld. Maar het moet gezegd; eigenlijk zijn de oorspronkelijke teksten van Luther veel sterker." 


Luther schrijft zelf ook over deze, door hem opnieuw verwoorde psalm. Het volgende.


Dit is de kreet van een werkelijk berouwvol hart, diep bewogen in haar nood. Zo zijn wij allen in diepe droefenis, maar we voelen niet altijd waar wij zijn. Ons wenen is niets anders dan een sterk en oprecht verlangen naar God’s genade dat pas herkent wordt als we besef hebben van de diepten waarin wij ons bevinden” 


Bach begrijpt dit alles goed, dit is ook zijn leefwereld. In het openingskoor van slechts 140 maten geeft hij een krachtige weergave van dit Lutherse ‘roepen vanuit de diepten’ en we horen dan ook het indringende geluid van smekende stemmen. Hij gebruikt de in zijn tijd reeds ouderwets-strenge stile antico (ook wel motet-stijl) waarbij elke zin van het lied gepresenteerd wordt in lange noten door de sopranen, op imiterende wijze gevolgd door de lagere stemmen. Hij verdubbelt vervolgens elke stem met een trombone - vier trombones in een cantate! Ze brengen, met die gepolijste sonore klanken, een stemming van een plechtig ritueel. Die indruk wordt nog versterkt doordat Bach de oude, voor-reformatorische kerktoonsoort (‘Phrygisch’) handhaaft die Luther pleegt te gebruiken voor zijn klaag- en boeteliederen. 


‘Herr Gott, erhöre mein Rufen’


Na een recitatief voor de alt volgt een schijnbaar vriendelijke aria (3) voor de tenor, begeleid door twee hobo's en continuo waarin gezegd wordt dat wij ‘temidden van het lijden een woord van troost kunnen horen’. Voor een goed begrip moeten we nu even stilstaan bij de opvattingen van Luther die de ‘zegen’ benadrukt van de ‘disharmonie’. De disharmonie van hoop en wanhoop, begrippen die niet kunnen samengaan. Maar toch; wij moeten hoop koesteren in onze wanhoop. Zo zal de hoop de nieuwe mens doen groeien, temidden van alle angst zal hij de oude mens achter zich laten. Begrijpelijke theologie? Bach begrijpt het maar al te goed. Het komt maar zelden voor dat hij, zoals in deze aria, een zo langdurig aangehouden, onontwarbare chromatiek voor hobo’s schrijft. 

De tekst van het sopraan-recitatief (4) heeft net als het eerdere alt-recitatief niets van doen met de koraaltekst, de sopraan citeert, blijkbaar vol overtuiging, teksten uit de evangelielezing. In de uitvoering wordt eigenlijk geen blijk gegeven van de eventuele broosheid van haar geloof. Maar tijdens haar recitatief horen we de continuo-bas die ‘hardop’ opnieuw de koraalmelodie laat horen. 

 

‘Aus tiefer Not schrei ich zu Dir’


Daarmee lijkt ook de sopraan, ondanks haar teksten, impliciet toe te geven aan haar twijfels. 

Het terzet (5) gaat verder met beschrijven van ‘de ochtend van geloof’ die volgt op de ‘nacht van pijn en verdriet’. We horen schrijnende halve tonen tot uiteindelijk, in de voorlaatste zin, de dageraad van het geloof aanbreekt en er een wending volgt bij  ‘Trost’ met een vrolijk stijgende gebroken drieklank tot er bij ‘Nacht der Not und Sorgen’ opnieuw een wending volgt, nu neerwaarts. 

Bij het slotkoraal (6), een eenvoudige vierstemmige harmonisering van het vijfde en laatste couplet van Luthers lied, is vooral opmerkelijk het sterk dissonante akkoord waarmee het begint. Het is blijkbaar Bach’s strategie om het hulp bieden tot het allerlaatste moment uit te stellen. Opnieuw die vier trombones!


Dan de uitvoeringen, er zijn er veel. Ik denk toch dat we voor deze niet mis te verstane cantate bij iemand moeten zijn uit een grijs verleden, iemand die het’ geloof der Vaadren’ kent. Die vinden we in de persoon van Karl Richter. Na dat werkelijk monumentaal gezongen openingskoor horen we de grote tenor Peter Schreier in een onmiskenbaar diabolisch dansje. Misschien klinkt die aria wel net zo heerlijk dansend als bij die uitvoering van ‘De Swaen’ in de Lutherse kerk op die laatste zondagmiddag van oktober in 2006. Die zondag waarop ‘s avonds een sms op mijn mobieltje zal verschijnen, mijn oudste broer met een kort en toch ook onverwachts bericht; mijn vader sterft. Maar ik lees dat bericht niet, nu niet. Ik ben die avond in de Westerkerk en natuurlijk niet met een draagbare telefoon. Ja, alweer in de kerk want het is een drukke dag met meerdere Bach-cantates. Hier klinkt ‘Wir mussen durch viel Trübsal in das Reich Gottes hingehen’. Morgen zal ik afscheid nemen van mijn vader.






Bronnen: John Eliot Gardiner/Eduard van Hengel.









Phrygisch - de oude, voor-reformatorische kerktoonsoort die Luther pleegt te gebruiken voor klaag- en boeteliederen. Een toonsoort die, zonder mollen of kruizen, alleen de witte toetsen op de piano gebruikt maar begint en eindigt op de E. 



verder met cantate 115 >>  de cantates de cantates de cantates de cantat