andere cantates voor hemelvaartsdag  bwv 43 Gott fähret auf mit Jauchzen

bwv 128 auf Christi Himmelfahrt allein

 bwv 11 lobet Gott in seinen Reichen



Bach’s eerste Hemelvaartsdag in Leipzig is op 18 mei 1724, en voor deze gelegenheid schrijft hij deze cantate. Maar in plaats van zich te richten op het hemelvaartsverhaal besluit de dienstdoende dominee Jezus' woorden uit Markus 16:16a nader te beschouwen ‘Hij die gelooft en gedoopt is, hij zal gered worden’. De anonieme tekstschrijver die Bach van cantates moet voorzien ontwikkelt vervolgens de diepzinnige Lutherse gedachte van de ‘rechtvaardiging door middel van het geloof’. En daar moet Bach het dan mee doen. Men kan bijna de twinkeling in zijn ogen zien als de gedachte bij hem opkomt om zijn compositie letterlijk te baseren op de bijbelse tekst. Alleen niet op de betekenis maar op de woorden uit de titel. Met behulp van één van de nummer-alfabetten zoals gebruikt door verschillende van zijn vrienden, bedoeld om ideeën in poëzie om te zetten, zo representeren deze woorden een totaal van 283 (b.v. in het nummer-alfabet A=1, B=2...............I/J=9, U/V=20...Z=24; zodoende Wer=43, da=5 etc., zodat 43+5+70+37+77+51=283). Bach geeft deze cantate 283 maten mee, 250 in totaal met daarbij een da capo sectie van 33 maten in het tweede deel. En waarom zou hij niet in stilte glimlachen bij de gedachte aan de priester terwijl hij aan 't componeren is? Het is voorjaar. Zijn 22-jarige vrouw heeft zojuist het leven geschonken aan hun tweede kind en de drie zonen uit zijn eerste huwelijk zijn gelukkig geinstalleerd op de school van St. Thomas. 

Een aardig verhaal bij een cantate die aanvankelijk geen enkele indruk maakt. Een vermoeiende opening, een tenoraria die dan wel een opvallende begeleiding heeft maar die dan toch niet echt mooi wil worden. Als ik dan iets moet noemen dan is dat het wonderlijke duet gebaseerd op ‘Wie schön leugnet der Morgenstern’. Jammer dat het oordeel over deze cantate zo uitvalt want uitgerekend dit stuk zingen wij o.l.v. Paul van Gullick in het stadhuis te 's Gravenhage. Wat een prachtige gebeurtenis op een prachtige plek maar wat een jammerlijke mislukking qua uitvoering. Wij schrijven zondag 19 november 2000. Chris, goede vriend van mij, is getuige van dit alles. 

Maar later, veel later, na het het beluisteren van 'wederom' John Eliot Gardiner vindt ik deze cantate tòch mooi. Anthony Rolfe Johnson is werkelijk een schitterende tenor. Wat vind ik zijn aria nu prachtig. Dat wonderlijke duet, het koraal is hier werkelijk schitterend, het danst werkelijk helemaal. Het openingskoor wordt onherkenbaar licht gezongen. Maarten 't Hart is het hiermee eens als hij spreekt over het vlekkeloze musiceren, de uitmuntend gezongen tenoraria en de fraaie basaria. De CD waar dit op voorkomt beloont hij in Luister met een 9. 







En dan mijn mailbox van 17 april 2007: 

Geachte heer Nieuwkerk, 

Op zoek naar informatie over Bachcantate 37, die binnenkort in een cantatedienst in Eelde uitgevoerd zal worden, stuitte ik op uw weblog. Een leuk gegeven in uw informatie over deze cantate vond ik het nummeralfabet. Alleen kom ik niet op hetzelfde totaal. Ook als ik uitga van I en J als één letter en dus een totaal van 25 letters in het alfabet, dan kom ik nog uit op een totaal van 280. Het verschil zit hem in de woorden Wer (44 i.p.v. 43), gläubet (65 i.p.v. 70) en wird (52 i.p.v. 51). Waar zit hem dat in. Maak ik verkeerde optellingen? Ontbreken er nog meer letters (bijv. U en V als één letter)? Hoe kom ik dan bij gläubet zoveel lager uit? Kunt u mij hierover uitsluitsel geven? 

Hartelijk dank. 

Met vriendelijke groet, Els Beelen 


Ja, ik vond dit verhaal, afkomstig uit de toelichting van Ruth Tatlow bij de Gardiner-uitvoering zo intrigerend dat ik het direct overgenomen heb in mijn Web-log. Zonder dat alles na te rekenen overigens. Wat bijzonder dat Els dit wel doet en dan tot deze conclusie moet komen. Na wat heen en weer schrijven wordt er een oplossing bedacht. De ‘U’ en de ‘V’ worden beide als ‘V’ geschreven (dat is gebruikelijk in het kerklatijn in die periode) en ze vertegenwoordigen dus dezelfde waarde in het nummer-alfabet. Dan kloppen de totalen van ‘wer’ en ‘wird’. Als vervolgens bij ‘gläubet’ de Umlaut vervangen wordt door een ‘e’ (wat in die tijd heel gebruikelijk is) dan komen we op het totaal van 70. We moeten natuurlijk niet van het hedendaagse Duits uitgaan. 





verder met cantate BWV 44 >>   de cantates de cantates de cantates de