Monogram Johann Sebastian Bach




andere cantates voor de twaalfde zondag na Trinitatis

bwv 69 lobe den Herrn, meine Seele

bwv 137 lobe den Herren, den mächtigen König der Ehren


Als we het geheel van cantates overzien die Bach componeert voor de kerk dan is het wellicht verassend om te ontdekken dat er van al deze cantates slechts 12 bedoeld zijn voor een solostem. De eerste twee, BWV 54 en BWV 199, worden geschreven in de zomer van het jaar 1714, de periode in Weimar. Echter, het leeuwendeel van de solocantates dateert uit de periode tussen juli 1726 en februari 1727. Bach schrijft een cantate voor de tenor, twee voor de sopraan, twee voor de bas, maar de meeste cantates uit deze periode (en dat geldt ook voor BWV 35) zijn bedoeld voor de alt. 

 

De reden voor deze nogal atypische opeenstapeling in het geheel van Bach’s werk blijft onbekend. Er wordt wel verondersteld dat Bach in deze periode geen competent koor tot zijn beschikking heeft om grootschalige werken uit te voeren. Toch zijn er diverse andere, rijk geornamenteerde cantates die deze veronderstelling weerspreken. Ook wordt er gewezen op de zware technische eisen die deze werken aan de solist stellen wat doet vermoeden dat Bach in deze periode beschikt over een specifieke alt die niet alleen heel bekwaam is in coloratuurzang maar ook grote kwaliteiten bezit in expressie en accurate intonatie. Wie dit dan geweest kan zijn blijft, als zo veel in Bach’s muzikale praktijk, onbekend. Een vrouwelijke alt of een castraatstem is het in geen geval. Een hoge falsetstem, dat zou wellicht kunnen. Misschien een vroegere pupil van St. Thomas, Carl Gotthelf Gerlach. Of, en dat is misschien nog het meest waarschijnlijk, een wat oudere jongen met wel vele jaren van vokale ervaring. 

 

En toch, er moeten meer redenen geweest zijn voor Bach dan alleen maar de aanwezigheid van een excellente zanger. Na het ‘koraalcantatejaar’ 1724/1725 waarbij Bach een buitengewoon homogeen soort van cantates het licht doet zien, heeft hij wellicht grote behoefte om te experimenteren met verschillende typen cantates, en dus ook met de solocantate. Van die experimenteerdrift is BWV 35 een goed voorbeeld. Wie deze cantate hoort ontkomt niet aan de gedachte; is dit wel een cantate? Immers, er is geen openingskoor, het slotkoraal ontbreekt, de instrumentale begeleiding is zeer prominent aanwezig met in de voorhoede het orgel als soloinstrument spelend in een werkelijk uitbundige concertstijl. Het is helemaal niet zo vreemd als we bij aanvang direkt de conclusie trekken; dit is een concert. 

 

Ach, het is eigenlijk wel zeker dat delen van deze cantate gebaseerd zijn op een eerder geschreven hoboconcert. Dan is dit opnieuw een voorbeeld van wereldse muziek die door Bach ter kerke wordt gebracht. De solopartijen, oorspronkelijk voor hobo geschreven, zouden nu door het orgel zijn overgenomen. Mogelijk is de aria waaraan deze cantate zijn naam ontleend oorspronkelijk het langzame deel uit dat concert. Het orgel wordt ook gebruikt in de overige delen die niet uit het concert afkomstig zijn. Maar waarom eigenlijk zo’n prominente rol voor het orgel? Zoon Wilhelm Friedemann die virtuoos orgel speelt is inmiddels de deur uit dus daar houdt dit geen verband mee. Het feit dat de orgelpartijen maar heel beperkt uitgeschreven zijn is wellicht een aanwijzing. Het lijkt erop dat Bach zichzelf de rol van orgelsolist heeft toebedeeld en hij geeft de leiding van de uitvoering deze keer aan iemand anders. 

 

 

In de bijbellezing voor deze zondag draait het om de genezing van de doofstomme, door toedoen van Jezus wel te verstaan. Aan het slot van dit verhaal wordt gemeld dat de mensen die ervan horen buiten zichzelf van verbazing zijn. En het is deze reactie van de omstanders, hun verwondering en  niet eens zozeer het verhaal zelf, wat voor Bach het vertrekpunt is voor deze cantate.

 

‘Geist und Seele sind verwirret’

 

In de opening van de cantate zijn het met name de figuren van het orgel die zo opmerkelijk zijn. Nu de muziek niet langer onderdeel is van een concert maar een plaats heeft gekregen in een cantate dienen ze als de muzikale verbeelding van het wonder Gods, door het volk met luid gejubel begroet. De pauze in het thema verbeeldt dan de sprakeloosheid van de omstanders. In de eerste aria (2) en in het daarop volgende recitatief bevestigd de alt de algemene verwarring en de verbazing over deze wonderen. In de tweede aria (4) zien we een bij Bach zeldzaam voorbeeld van een solostem die slechts begeleid wordt door het orgel. Deze aria, mogelijk is dat oorspronkelijk een stuk voor cello en klavecimbel, is een prachtig voorbeeld dat Bach een zeer onbekommerde musiceerstijl kan hebben, immers; 

 

‘God heeft alles wèl gedaan!’  

 

In het tweede deel, dat eveneens met een sinfonia voor orgel en orkest begint, wordt de boodschap van het evangelie voor deze zondag op de individuele gelovige toegepast. De alt vraagt in een recitatief om God’s hulp om zo steeds aan zijn wonderen te blijven denken. De finale aria, met een gigue-achtig ritme, sluit de cantate af in een krachtig C majeur waarin alle musici meespelen en waarin te kennen gegeven wordt ’alleen bij God te willen leven’. Het middendeel, in overeenstemming met de tekst, is in mineur geschreven. 




Beste Nicolaus Harnoncourt,

Wat een buitengewoon ongeinspireerd stuk muziek schotelt u ons voor. De inzet is veelbelovend maar dan, dit sleept zich voort........


Rilling heeft meer te bieden. Die tweede aria voor de alt is hier een wonderlijk vrolijk en speels stuk geworden. Komt vaker voor bij Rilling dat je denkt; hoor ik dat nu goed? En dan hoor je het goed, zó speelt hij het en dan klinkt het wel héél erg onbekommerd. Maar mooi! En willen we dan toch een countertenor horen; Jochen Kowalski doet het een stuk beter dan Paul Esswood (bij Harnoncourt) en Robin Tyson (bij Gardiner). Een prachtige uitvoering is dat van Jochen; een vol, warm geluid en toch klinkt het alles heel licht en transparant. Opvallend is dat hij maar liefst 40 seconden extra nodig heeft voor die tweede aria. Deze uitvoering heb ik gekocht bij Concerto in Amsterdam (in de Utrechtsestraat). De CD was vergezeld van een recensie uit Luister, maart 1996. Deze CD krijgt zowel qua uitvoering als qua opname een 8. Ik citeer de recensie: 


“Wie deze cantates al jaren kent in de uitvoering van Aafje Heynis of Jard van Nes moet even opnieuw beginnen, maar Kowalski is hier in goede vorm en zet slanke, spirituele uitvoeringen neer, waarbij de teksten extra goed uitkomen. In deze cantate speelt ook het orgel een belangrijke rol. Alpermann bespeelt daarbij een historisch instrument: het zogenaamde Amalien-orgel, tegenwoordig in de kerk 'Zur frohen Botschaft' in Berlijn-Kalshorst en een instrument met een boeiende geschiedenis. Haenchen zorgt met zijn kamerorkest voor het orkestrale fond, waarbij de begeleiding in de aria 'Stirb in mir' tamelijk hoekig uitvalt. Kennelijk heeft de tekst deze muzikale uitbeelding in het orkest opgeroepen. Vooral vanwege Kowalski is dit een aanbevelenswaardig alternatief in de uitgebreide series Bach-opnamen”. 





Geraadpleegde bron; Thomas Seedorf









De alt - Bach baseert zich bij deze cantate hoogstwaarschijnlijk op de in zijn tijd bekende theologisch-musicologische theorie waarin aan de vier stemmen heel specifieke betekenissen worden gegeven. De bas gold als de stem van Christus en de alt als de stem van de Heilige Geest, die zich op allerlei manieren in en aan mensen openbaart.



cantates cantates de cantates de cantates de cantates cantate nu volgt cantate 17>>