ook voor de geboortedag van Johannes de Doper

bwv 7 Christ, unser Herr, zum Jordan kam

bwv 167 ihr Menschen, rühmet Gottes Liebe



Eén van de laatste kerkcantates die we van Bach kennen, BWV 30, is bedoeld voor het feest van Johannes de Doper in 1738 of '39. Het is zeer feestelijke dubbel-cantate en het is een parodie (d.w.z. zelfde muziek, nieuwe tekst), immers, dit is in feite de huldigingscantate Angenehmes Wiederau die op 28 september 1737 al werd uitgevoerd in het barokkasteel van het dorpje Wiederau. Op die dag trad er een nieuwe heer aan in de persoon van de voormalige hoveling Johann Christian von Hennicke. 


Voor het eerst op deze website treffen we hier dus een cantate aan waarbij de muziek ontleend is aan een eerder geschreven, niet-godsdienstig werk. In dit geval is het origineel een uitgebreide lofzang op een vooraanstaand persoon. Gelegenheidsmuziek is het, in opdracht gecomponeerd, bedoeld voor eenmalig gebruik. Je zou zeggen dat deze muziek nauwelijks geschikt is om er een kerkcantate van te maken maar er zijn toch een paar dingen die dat aantrekkelijk maken voor Bach. De hymne voor deze feestdag 'Gelobet sei der Herr, der Gott Israels' waarnaar in de cantate verwezen wordt gaat immers goed samen met het vreugdevolle karakter van de muziek. Maar belangrijker is wellicht nog het feit dat de inmiddels oude Bach, tegen de heersende opvattingen in, hier wil tonen dat hij helemaal niet zo ongevoelig is voor stylistische invloeden van een jongere generatie. En zulke invloeden wil hij ook in zijn kerkmuziek laten horen. Bijvoorbeeld in de syncopische ritmes van het openingskoor van deze cantate en in de aria ‘Kommt ihr angefochtnen Sünder'. En ook in het lombardische ritme van de aria ‘Ich will nun hassen’

Er wordt wel eens verondersteld dat parodieën als deze uit gemakzucht zouden voortkomen. Niets is minder waar. In deze periode bestaat er voor Bach geen enkele noodzaak meer om onder tijdsdruk kerkcantates te produceren: hij voorziet al jaren in zijn wekelijkse cantate-behoefte met de vier à vijf jaargangen die hij direct na zijn aantreden in Leipzig heeft gecomponeerd. Cantate BWV 30 kan eigenlijk alleen maar zijn ontstaan uit zijn wens om geslaagde muziek, bedoeld voor een eenmalige gelegenheid, een nieuwe gebruiksmogelijkheid te gunnen. 

En dat heeft hij goed gezien, immers, het is heerlijke muziek. Wat een overrompelend en meeslepend openingskoor horen we hier, dit is werkelijk één van de meest uitgelaten stukken die hij ooit schrijft. En toch, het verloopt allemaal volgens een zeer strak schema in vijf delen (ABAB'A) van elk 4 x 8 = 32 maten. De boodschap die wij meekrijgen is dat wij ons verheugen over de komst van de Verlosser, Johannes de Doper kondigt Hem aan. 

Freue dich, erlöste Schar

Het bas-recitatief (2) parafraseert hierna een vers uit de evangelielezing, Lukas 1:68. Louter strijkers begeleiden hem vervolgens in een intieme lofzang op onze Heer. En jawel, het is een dans die we hier horen, een passepied, zo soepel geschreven dat de virtuositeit ervan nauwelijks opvalt. Bach’s tekstdichter Picander schrijft voor deze parodie nieuwe recitatief-teksten die metrisch en qua lengte volledig identiek zijn aan het wereldlijke origineel; Bach kan dus de muziek van die recitatieven integraal gebruiken, maar hij doet het niet. Waarschijnlijk wil hij begrippen als ‘einem schnellen Lauf ‘(4) illustreren met passende muziek. 

Voor velen is het hoogtepunt van deze cantate de alt-aria die hierna volgt, een gracieus en teder dankbetoon is het met een begeleiding van traverso en gedempte eerste violen boven pizzicati van strijkers en continuo. En dan volgt het koraal (6) wat in het wereldse origineel natuurlijk niet voorkomt en zo realiseert Bach een tweedeling in deze ‘nieuwe cantate’. Hiermee eindigt immers het eerste deel. Tijd voor een preek, zo mogen we aannemen.

In het daarna volgende accompagnato-recitatief (7) gaat het over de de onverbrekelijke band tussen God en de mensheid. Gebonden figuren van de twee hobo's verbeelden deze verbintenis. En vervolgens horen wij een bas-aria (8) waarin Bach opnieuw flirt met de modieuze galante stijl die in dit tijdsgewricht zo in zwang is, inclusief het modieuze 'lombardische' ritme (kort-kort-lang) dat hij ook in zijn Hohe Messe zal gebruiken. Na een recitatief voor de sopraan volgt nu een aria (10) in gigue-ritme. Deze aria is in feite het enige onderdeel van de cantate geschreven in de vertrouwde polyfone kerkstijl: het is een trio voor sopraan, unisono-violen en continuo dat vooral de haast uitdrukt waarmee de gelovige zich de komst van de Heiland wenst. Voor de tenor rest er tenslotte slechts een secco-recitatief (11), waarin pijnlijke, verminderde-septieme-akkoorden de ‘Plag der Unvollkommenheit’ maar ook ‘Not en Tod’ onderstrepen: lichte contrasten zijn het in een verder opgewekt geheel. Door aan het eind het beginkoor integraal te herhalen op een nieuwe tekst, verbindt Bach de twee delen van de cantate met elkaar. 

Het is duidelijk; als Bach heeft willen aantonen dat hij uit de voeten kan met de verworvenheden van de moderne galante stijl, dan is hij hierin geslaagd. Koren en aria's in deze cantate, het zijn vrijwel allemaal swingende, toegankelijke muziekjes met veel syncopes, dansritmes en met slechts weinig polyfonie. We zijn in feite beland aan het Franse hof. Hoe zou dit alles ontvangen zijn in Leipzig? Zelfs in een kerkgemeenschap die na 15 jaar gewend moet zijn geraakt aan Bach’s gewoonte om gigues, gavottes en bourrées door zijn kerkmuziek te weven moet bij het horen van al deze elegantie hier en daar toch een wenkbrauw omhoog zijn gegaan. En, zo mogen wij hopen, de muziek zal ook een enkele glimlach teweeg hebben gebracht. We kunnen gerust stellen dat die zeer wisselende reacties typerend zijn voor het oordeel over de oude Bach. En dat oordeel heeft nog lang standgehouden. Zie maar eens hoe deze muziek tot ergernis leidt bij een oudere generatie commentatoren voor wie de strenge Bach (die van de schilderijen) de enige echte is.

  • Schweitzer; ‘Misplaatst hergebruik’. 
  • Whittaker; ‘De ergste misdaad jegens zichzelf’. 
  • Robertson; ‘Smakeloze bewerking’. 


Inmiddels zien we dat anders. Maar het oordeel over de verschillende uitvoeringen wisselt nogal. Gardiner vind ik niet zo indrukwekkend maar de acoustiek ter plaatse (een kerk in Londen) is misschien niet zo feestelijk. Rilling is in het koor en in die prachtige alt-aria verrassend mooi. Maar wat jammer dan dat de -wat brallerige- bas Philippe Hüttenlocher is gevraagd voor die heerlijk dansante stukjes. Want ‘dansant’ is Philippe toch allerminst. Als geheel is wellicht de Harnoncourt-versie favoriet. Die alt-aria met zijn (aldus Maarten ‘t Hart) ‘eigenaardig maar heerlijk stokkend ritme’ is natuurlijk een pronkjuweel, maar ook die jongetjes in het openingskoor met welhaast hallucinerende effecten daarbij en een werkelijk prachtig koraal. 

 

bekijk een barok-video-clip met Magdalena Kozena  of ga naar cantate 200  


 

Parodieverfahren - Hiermee wordt bedoeld het fenomeen dat Bach muziek uit wereldse cantates overhevelt naar kerkelijke cantates waar ze door hem van een nieuwe tekst worden voorzien. Er wordt wel gedacht dat hij dit doet in verband met de enorme werkdruk waaronder hij moet presteren. Toch moet hij vaak evenveel tijd kwijt geweest zijn met het aanpassen van reeds bestaande muziek aan een nieuwe tekst. Vaak word die muziek opnieuw uitgeschreven en naar een andere toonsoort getransponeerd. Lees uitgebreid over het fenomeen Parodieverfahren in het artikel van Maarten ‘t Hart Een altaarbloem in 't knoopsgat