Monogram Johann Sebastian Bach











 andere cantates voor de zondag na kerst bwv 152 tritt auf die Glaubensbahn

bwv 122 das neugeborne Kindelein




Goddank is dit jaar bijna voorbij’ zegt Bach. Of zegt hij dat niet en is het de tekstdichter die hier spreekt? Blijkbaar is er tegenslag geweest en we hopen nu maar op betere tijden. Maar mogelijk bedoeld hij (of de tekstdichter) toch iets anders, nl: nu het jaar ten einde loopt is er alle reden om God te danken voor het afgelopen jaar, en Hem om voorspoed in het nieuwe jaar te vragen. Jawel, ik denk dat we het zo moeten lezen.

De tekst verwijst trouwens niet - zoals te doen gebruikelijk - naar de voor deze zondag voorgeschreven evangelietekst (Lucas 2: 33 - 40) waarin Jezus een rol als verlosser wordt voorspeld. En dat is ongewoon want Bach volgt het kerkelijk jaar altijd zeer nauwgezet, echter dit keer niet. Het is december 1725, dit is de adventstijd en dan worden er geen cantates gebracht in de kerken van Leipzig. Dat druist in tegen de traditie. Toch is dit voor Bach geen tijd om op zijn lauweren te rusten want hij werkt nu aan zijn jaarlijkse serie cantates voor het einde van deze maand. Maar liefst vijf feestelijke werken moeten er geschreven worden; voor de drie Kerstdagen, voor Nieuwjaar en voor Driekoningen. Hij gebruikt teksten van hofdichter Georg Lehms (1684-1717) die voor deze dagen pasklare cantates geschreven heeft. Maar nu komt hij tot de ontdekking dat er nog een zondag is (30 december) tussen Kerst en Nieuwjaar, een zondag waarvoor Lehms geen tekst heeft gemaakt. Bach kiest dan een tekst van de theoloog Erdmann Neumeister (1671-1756), bekend als de uitvinder van de z.g.  ‘gemengde cantate' waarin aan de opera ontleende recitatieven en aria's mogen voorkomen. Deze Neumeister is degene die, zij het aarzelend, propageert dat we deze opera-genres in de kerkmuziek gaan gebruiken in plaats van de gebruikelijke bijbelteksten en koralen. Zo dicht hij in 1714 voor Telemann een complete jaargang cantateteksten; Geistliche Poesien mit untermischten Biblischen Sprüchen und Choralen auf alle Sonn- und Fest-Tage durchs gantze Jahr’. En daaraan ontleent Bach de tekst van 'Gottlob! Nun geht das Jahr zu Ende'. 

In de sopraan-aria (1) zetten instrumentalisten vanaf maat 1 in met een toon van opgewekte dankbaarheid: drie violen en drie hobo´s functioneren als twee driestemmige instrumentale ´koren´ die met elkaar een dialoog aangaan. De sopraan wil eerst nog bedachtzaam overwegen maar mengt zich uiteindelijk toch met een virtuoos melismatisch zingen in de vreugdedans . Dit is opera.

Maar wat een verschil in stijl als hierna het belangrijkste deel van de cantate volgt nl. het koor (2). In deze compositie is in toenemende mate een vocale beweging, en daarmee meer raffinement waar te nemen. Maarten 't Hart noemt dit 'verpletterende koor in motetstijl' het enige belangwekkende onderdeel van de cantate wat de rest van het werk volledig in de schaduw stelt. En John Eliot Gardiner spreekt over ‘verborgen schatten en subtiliteiten’, met name die in de laatste 50 maten waarin je voelt wat een immense kosmische strijd daar wordt gevoerd. Het is hoe dan ook bijzonder dat Bach na die moderne openingsaria vervolgt met een zo archaïserend vierstemmig koraalmotet in oude polyfone stijl. Een stap terug in de tijd is het. We horen geen zelfstandige maar slechts ‘colla parte’ meespelende instrumentale partijen. In het koor horen we  uitsluitend rustige halve en kwartnoten waarmee de drie onderstemmen de cantus firmus van de sopranen - frase voor frase - begeleiden. De instrumentale partijen spelen motiefjes die nu eens vooruitwijzen naar de komende sopraanmelodie en dan weer zijn ze bedoeld om specifieke woorden te illustreren: schrijnende chromatiek op Sünd’, een glijvlucht van de Adler’, brede gebaren en een zelfverzekerde kwartsprong bij Der König schafft recht. Het zelfstandig opererende continuo laat de reiche Trost’ stromen als uit een hoorn des overvloeds. Conform de oude motet-traditie worden de vocale stemmen dan ook nog versterkt met koperblazers (cornetto, trombones). Doordat de koraaltekst (Johann Gramann, 1530) maar liefst twaalf regels omvat ontstaat een zeer uitgebreid motet. 174 maten noteert Bach aan het slot in de partituur, het is alsof hij er zelf van opkijkt. 

Met de oudtestamentische tekst van Jeremia (32: 41) kondigt de bas boven een ostinaat continuo-motief de Verlosser aan in een recitatief wat eigenlijk meer een arioso is. De tenor (4), reagerend op deze voorspelling, meet Gods goedheid breed uit in een door feestelijke strijkers omlijst recitatief. En in het duet (5) vinden twee stemmen steeds nieuwe vormen van muzikale dialoog, van contrapuntisch verzet tot eendrachtig samengaan. Alt en tenor brengen hier, als waren zij Thomasvaer en Pieternel, een vrolijke en lichtvoetige nieuwjaarswens, boven een sobere continuo-begeleiding. Dat deze cantate hierdoor  zeer geschikt wordt voor de eerste januari wordt vervolgens nog eens onderstreept door het eenvoudige vierstemmig geharmoniseerde slotkoraal, het nieuwjaarsliedHelft mir Gotts Güte preisen’ (Paul Eber, 1580). 

Wat opvalt aan dit werk is de grote variëteit in de verschillende onderdelen wat we natuurlijk ook als een stijlbreuk kunnen zien. Zeg maar gerust; het is een allegaartje. Maar ik vind toch dat wanneer je die dansante opening met dat duet naast elkaar zet en vervolgens het motet met het slotkoraal, dan ontstaat er een evenwicht in dat geheel wat juist wel mooi is. Jawel, dit is een mooie cantate. 

 

Op oudejaarsdag 2006 klinkt BWV 28 in de Oude Lutherse Kerk als ik daar ben in gezelschap van Christ Bolders. Geen van beiden zijn we onder de indruk van de uitvoering maar het brengt ons wel de juiste stemming om zo dadelijk voorzien van erwtensoep en oliebollen het oudejaar uit te luiden in gezelschap van onze Wilma. 

 

Bronnen; Maarten 't Hart, John Eliot Gardiner, Eduard van Hengel 

 

 




de cantates de cantates de cantates de cantates cantates de verder met bwv 16