Monogram Johann Sebastian Bach







andere cantates voor de vierde zondag na Trinitatis

bwv 177 ich ruf zu dir, Herr Jesu Christ

bwv 185 barmherziges Herze der ewigen Liebe



Bach heeft niet vaak teksten gebruikt van Erdmann Neumeister, toch iemand die beschouwt wordt als de schepper van de moderne kerkcantate. Bij nadere beschouwing mogen we daar alleen maar dankbaar voor zijn; de poezie van Neumeister wordt vaak nogal overschaduwt door sterk belerende theologische aanvechtingen. Aan de andere kant; zo'n tekst biedt voor de componist uit de barok ook weer zekere voordelen. En dat geldt ook voor cantate 24. 


Zoals bij de centrale structuur van een barokgebouw, zo is ook in deze cantate alles gegroepeerd rond een centrale tekst afkomstig uit de Bijbel. Aan weerszijden hiervan staan twee recitatieven die met elkaar in verband staan door hun openingswoorden; ‘Redlichkeit’ en ‘Heuchelei’. Het buitenste raamwerk bestaat vervolgens uit twee aria's. Alleen het slotkoraal staat los van dit barokke geheel, het heeft geen tegenpool aan het begin. 


Bach volgt in zijn compositie de symmetrische indeling van Neumeister door dit keer niet, zoals hij gewoonlijk doet, dat gewichtige koor met die bijbeltekst aan het begin van de cantate te plaatsen, maar juist centraal. Hij componeert voor het koor (verdeeld in concertino en ripieno stemmen) met het voltallige orkest. We horen de tekst twee maal, eerst in een vrij geconstrueerde dubbele expositie, daarna in een dubbele fuga. De impact van dit centrale deel wordt sterk vergroot door de beide recitatieven die het flankeren. Deze recitatieven appeleren beide aan het geweten van de toehoorders. En dat geldt evenzeer voor die centrale bijbeltekst; 


‘Ja, alles wat wij willen dat men aan ons doet, zo doen wij ook aan onze medemens’


Daar komt het wel zo ongeveer op neer. Als wij kijken naar de betekenis van deze tekst dan zien we hier een wederkerigheid die wellicht de inspiratrie gevormd heeft voor de symmetrische constructie van deze cantate. Aan beide zijden van dit barokke bouwwerk zijn daar de beide steunpilaren van deze constructie; uitgebreide recitatieven, beide van een nogal streng type, beiden eindigend in een arioso. We zien die recitatieven oprijzen als strenge zuilen bekroond met de centrale woorden ‘Redlichkeit’ en ‘Heuchelei’ en met aan de voet die breed uitwaaierende arioso’s. De beide aria’s (1 en 5) vormen het raamwerk van de cantate; in de eerste aria groepeert Bach de unisono spelende strijkers, de alt en het continuo tot een trio, in de tweede maakt hij een kwartet met behulp van de twee hobo’s, de tenor en het continuo. Het muzikale motief van die aria ‘Treu und Wahrheit hat sein Grund’ wat een volledige octaaf omspant komt bij alle stemmen steeds weer terug en bewerkstelligt een nadrukkelijke, stevig verankerde stemming. Het slotkoraal wordt ornamenteel versierd door middel van onafhankelijke instrumentale gedeelten van het hele orkest en met tussenspelen bij de regels van het koraal. 


Nee, Bach maakt het ons niet altijd makkelijk. Sommige commentatoren (zoals Gilles Whittaker) zijn merkbaar geïrriteerd door die ‘ruwe aanklachten tegen de mensheid’ en die ‘gortdroge en benepen zienswijzen’ waar hij ons hier bij monde van Neumeister op trakteert. Dit zou het zicht op de muziek in de weg kunnen staan. En dat is jammer want een mooie cantate is het eigenlijk wel, zo één die aan schoonheid wint naarmate je vaker luistert. Plechtstatig, ook door de instrumentatie maar er wordt dan ook gepredikt. Al naar gelang de uitvoeringspraktijk horen we een trompet dan wel een tromba


De Rilling-versie van deze cantate is mogelijk mooier dan die van Harnoncourt. Later betwijfel ik dat dan weer. De solisten bij Richter (Peter Schreier en Fischer-Dieskau) zijn prachtig maar dat zal ik in heel veel commentaren melden. En het koor bij Gardiner is heel strak maar ook dat zeg ik vaker. Er is ook een versie door Haagse musici in de Kloosterkerk aldaar. Met veel galm opgenomen en dus zijn er nauwelijks details te horen. Wat we wel horen klinkt nogal schools. 



Bron; Alfred Dürr













   verder met cantate 167 >>  de cantates de cantates de cantates de cantat