meer cantates voor de zevende zondag voor Pasen (Quinquagesima) 

                bwv 22 Jesus nahm zu sich die Zwölfe 

                bwv 127 Herr Jesu Christ, wahr' Mensch und Gott 

                bwv 159 sehet, wir gehn hinauf gen Jerusalem 



                                                                                                                (ingezonden mededeling)






























We zijn nog steeds (zie BWV 22) in Leipzig waar Bach solliciteert. Maar de toon van deze cantate ‘Du wahrer Gott und Davids Sohn’ is anders, ernstiger dan in BWV 22. Het hele werk ademt de sfeer van passie-muziek en het slotdeel, een zetting van het duitse Agnus Dei, moet dan ook een onderdeel geweest zijn van reeds eerder in Weimar geschreven muziek voor de Lijdenstijd. Later zal Bach het opnieuw recyclen voor zijn nogal overhaast in elkaar gezette Johannes Passion, de versie van 1725. 


In cantate 23 wordt beklemtoond hoe Jezus op zoek is naar de sociale outcasts van zijn tijd, de blinden en zieken, hoe hij ze geneest. De muziek wordt gekenmerkt door een ongewoon expressieve kracht. De tekst verwijst dan ook naar het gebed van de blinde om genade. Maar deze smeekbede wordt verbreed naar de huidige tijd en naar de verzamelde gemeente; het zijn niet alleen de ogen van de blinde die wachten, wij allen wachten op de Heer.


In de opening combineert Bach een trio van twee hobo's en continuo met een langzaam vocaal duet voor sopraan en alt tot een zeer vakkundig gecomponeerd quintet met een diep bewogen intensiteit. Dat we hier twee hobo’s horen is waarschijnlijk geen toeval; in het evangelie naar Mattheus gaat het om twee blinden. Het is een lange aria met een indringende vraag om compassie temidden van diepe droefenis. We treffen typische karakteristieken van zijn periode in Köthen aan, er is een veelheid aan ornamentele versieringen. Eigenlijk is deze muziek niet echt heel toegankelijk voor zijn kritische toehoorders. 


Door vervolgens het recitatief ‘Ach gehe nicht vorüber’ te laten klinken tegen een achtergrond van het Lutherse ‘Agnus Dei’ bereikt Bach dat daarmee het gebed van de blinden verbreed wordt tot een verlangen van de gehele christenheid. Een ongewone vorm heeft het nu volgende koor waarbij de volledige koraalzetting 7 x wordt gehoord (de tekst is van psalm 145), wisselend tussen verschillende toonsoorten en onderbroken door verschillende instrumentale tussenspelen en duetgedeelten voor tenor en bas. Het is het gebed van de blinden. Een gecompliceerd stuk is het, soms geschreven als een canon, dan weer als een dansend koor zoals we die kennen uit zijn huldigingscantates. Maar alles op een baslijn die de contouren schetst van de openingsfrase van - opnieuw - het Agnus Dei, maar nu in g klein. Het koor heeft duidelijk het karakter van een slotkoor en de cantate zou nu kunnen eindigen.


Maar Bach besluit toch nog een toevoeging te doen, die eerder geschreven Passiemuziek komt er bij. Een langzaam, voornamelijk homofoon koraal is het, refererend aan het tweede deel en daarmee verleent het ook een zekere eenheid aan deze cantate. Maar deze toevoeging moet toch ook wel strategisch bedoeld zijn; het toont ogenblikkelijk de breedte van zijn stilistische en exegetische mogelijkheden aan zijn toekomstige employees. Helpt het? In de Hamburg Relationscourier verschijnt immers een persbericht (we noemden het al bij BWV 22) van een speciale correspondent met daarin in overtuigende bewoordingen de constatering dat de muziek ‘hoog geprezen wordt door allen die tot oordelen bevoegd zijn’. Peter Williams heeft durven beweren dat die ‘speciale correspondent’ wel eens Bach zelf geweest zou kunnen zijn. Bijzonder. Daarmee zou dat wel een heel vroeg voorbeeld van ‘spindokterij’ geweest zijn. 


Johann Sebastian Bach wordt aangenomen in Leipzig, zoveel is zeker. Maar of hij dat dankt aan die nogal conventionele BWV 22 of toch aan het meer ingenieuze en verfijnde werk zoals we dat horen in BWV 23, we weten het niet. En hoe denken wij over deze cantate? Maarten 't Hart komt met zijn oordeel dat het een prachtig werk is;


'Zou ook maar één inwoner van Leipzig beseft hebben dat de zon over de Thomaskirche was opgegaan?'


De zon is opgegaan? Die associatie heb ik niet bij deze cantate. Misschien is het treffender wat Aryeh Oron schrijft op zijn web-site.


“The Soprano and Alto sing a Duet of incredible sadness. The music of this sublime first movement is so descriptive, that you can almost paint a picture according to the music, even with very little understanding of the words. The two blind men sitting at the wayside, waiting for the priest to come, entreating for him, hoping that he is really coming. Is it an early version of ‘Waiting for Godot’ by Samuel Becket? The oboes add to the melancholy and anticipating feeling. The Continuo adds a rhythm of a walking march. A though the waiting blind men hear from distance the voices of the coming convey. “


Onvoorstelbare droefheid, wachten aan de kant van de weg, smeekbedes om verlossing. Maar ik weet het niet zo zeker, dit keer. Als ik uiteindelijk de uitvoering van Werner in mijn bezit heb, pas dan ga ik deze cantate enigszins waarderen. Ouderwets mooie klanken horen we hier. 


Het is zondag 27 februari 2011. Vandaag is BWV 22 én 23 aan de beurt. We mogen nog even genieten van barokensemble 'de Swaen' én van David Greco. Als hij opkomt zou je zweren dat hij de countertenor is. Maar neen. Hij mag de baspartij zingen, en hoe. Als eerbetoon een fotootje?


Bronnen; Gardiner/ 't Hart/ Oron





P.S. Natuurlijk was ik op 3 juni ook in de Dominicuskerk. Telemann heeft gewonnen!


















ga verder met cantate 59 >>  de cantates de cantates de cantates de cantates