Monogram Johann Sebastian Bach







  voor de derde zondag na Trinitatis

bwv 135 Ach Herr, mich armen Sünder




 


Maarten ‘t Hart:


"Tegenwoordig zend radio 4 ook 's nachts uit. Ik werd een keer wakker om 3 uur, kon niet meer slapen, zette de radio aan, hoorde een uitvoering van cantate 21 met Italiaanse zangers en een Italiaanse dirigent. Pas toen besefte ik wat een uitzonderlijk mooie cantate dit jeugdwerk is, maar ook dat er aan Bach een fenomenaal operacomponist verloren is gegaan. Waarom zou hij, terwijl hij graag naar opera's van Hasse ging luisteren, nooit de aanvechting hebben gehad om een opera te componeren? Of had men hem gewoon een opdracht moeten geven?" 


Het ontstaan van deze cantate is, als zo vaak, in nevelen gehuld. We weten dat een volledige uitvoering van dit werk plaatsvindt in Weimar, in 1714, als Bach is daar nog maar kort als concertmeester is aangesteld. Maar het is zeer waarschijnlijk dat dit werk al eerder geschreven is. Deze cantate wijkt sterk af van ander werk uit dat jaar. Zo is Bach in 1914 begonnen met het gebruik van citaten uit de Bijbel in zijn recitatieven, vrije poëzie gebruikt hij uitsluitend nog voor het koor. Maar in BWV 21 horen we die bijbelwoorden juist in het koor, letterlijke teksten zijn het en hij kiest daarbij voor de archaïsche vorm van het motet. Dat wordt afgewisseld met solistische bijdragen; vrije poezie met een hoog subjectief karakter. In plaats van delen uit een koraalmelodie instrumentaal in te passen in een aria doet Bach dit hier juist in een chorus (9). Het is allemaal heel ongewoon en daarom is er die twijfel of dit alles niet uit een (veel) eerdere periode stamt. Misschien zijn twee eerdere werken samengevoegd of mogelijk is dit is een uitbreiding van een eerder geschreven werk. Misschien heeft Bach de cantate een jaar eerder al geschreven om daarmee zijn aanstelling als organist in Halle te ondersteunen. Het is eigenlijk wel zeker dat we de geschiedenis van dit werk nooit zullen kennen. 

Wat de cantate tot zo'n onmiskenbaar meesterwerk maakt is die geweldige planning van muzikale ideeën waarbij Bach een kernachtige en effectieve cohesie weet te bewerkstelligen die nauwelijks onderdoet voor zijn beide Passies. Elk deel van de tekst wordt hier in een eigen thematisch materiaal verwerkt, geheell in overeenstemming is met de inhoud. De zeer verschillende muziekvormen die hiervan het resultaat zijn variëren van delen met een aanzienlijke lengte uitmondend in uitgebreide fuga-achtige frases tot juist zeer korte statements zoals b.v. in het openingskoor het woord ‘aber’ wat daardoor buitengewoon indrukwekkend wordt. Toch is deze cantate een typisch voorbeeld van gebruiksmuziek voor de kerk. De woorden, waarschijnlijk afkomstig van Salomon Frank, en de muziek maken dat de zondagse gelovigen zich wel moeten voelen als getormenteerde boetelingen, berouwvolle zondaars wier enige redding uit de misere van het aardse bestaan moet zijn het geloof in God’s genade. 

Het begint al met die introducerende sinfonia in c klein die een sombere toon zet als introductie voor een openingskoor waarin de zondaar zijn lot bejammert met een tot driemaal toe aangeheven Ich, Ich, Ich. Het hierna volgende

‘aber deine Tröstungen erquicken meine Seele’

is veel sneller in tempo maar houdt die stemming van pijn en treurnis vast. Dan volgt een korte sopraan-aria met mooi melodisch materiaal, gedomineert door ‘Seufzermotieven’. In feite horen we een vebeelding van diepe angsten die nog voortgezet gaat worden in de nu volgende tenor-aria. De motieven hiervoor ontleent Bach aan het beeld van een ‘onophoudelijke tranenvloed’ waarbij hij in het middelste deel een visioen schildert van ‘Sturm und Wellen’ waarin de ziel ten onder dreigt te gaan. Een populair thema in de poezie van de barok. Een koraal beëindigd daarna dit eerste deel van de cantate waarna in het verloop van de kerdienst de prediking volgt. 

Het reciatief waarmee het tweede deel aanvangt is in feite een dialoog tussen Christus en de ziel. Heeft Bach zijn inspiratie hiervoor opgedaan in de Hamburgse opera? Het is zeer wel mogelijk. Hoe dan ook, vanwege deze opera-achtige dramatiek wordt dit liefdesduet tussen de bas en de sopraan  door Bach’s biograaf Spitta heftig bekritiseerd. Maar, in dit duet weerklinkt zeer trefzeker de omslag van berusting naar een opgewekt vertrouwen op God dat het verdere verloop van de cantate zal domineren. Het nu volgende deel, een koorfuga met daarbij alle solisten is opgebouwd rond twee strofes van de hymne ‘Was helfen uns die schweren Sorgen’. De eerste wordt gebracht in lange noten door de tenoren, de tweede door door de sopranen vergezeld van de hobo. 

'Wees nu maar tevreden, ziel' (koor)

'Wat helpt het je om je steeds maar zorgen te maken' (tenor)

'Denk niet dat je door God verlaten bent' (sopraan)

Door alles heen benadrukt Bach de boodschap van de cantate nog eens door instrumentaal het koraal ‘Wer nur den lieben Gott lässt walten’ te laten horen.

In de laatste solo, een aria voor tenor, wijzigt de stemming abrupt. De ziel, nu vrij van zorgen, verheugt zich in de zorg van Christus. Het krachtige slotkoor - met trompetpartij - verbreedt dan het perspectief van die individuele ervaring naar de schittering van een meer universele lofprijzing. We kunnen hierbij even aan Georg Friedrich Handel denken.

‘Halleluja!’


De kwaliteiten die aan deze cantate worden toegedicht blijken overduidelijk uit de grote hoeveelheid uitvoeringen die hiervan bestaan. Ook Karl Richter met zijn prachtige sterrencast heeft deze op het repertoire. En hoewel Peter Schreier natuurlijk erg mooi zingt geloof ik dat ik toch zal kiezen voor de Harnoncourt-versie, juist door de kleine bezetting èn de toch wel heel ontroerende combinatie jongenssopraan-tenor.


 


 

 







ga verder naar cantate 61 >>  de cantates de cantates de cantates de cant